Buch 
Een Twintigjarig Jubileum : eene studie / door G. L. Zwartendijk, Secretaris-Penningmeester der Vereeiging "Rotterdamsche Gezondheidskoloniën" te Rotterdam
Entstehung
Seite
4
JPEG-Download
 

Onze vijf kinderen ondervonden spoedig de nadeelige gevolgenvan deze verplaatsing; zij begonnen er bleek en zwak uittezien,waarom wij besloten ben des zomers, gedurende den vacantietijd,naar ons voormalig dorp te brengen, ten einde van de frisscheberglucht te kunnen genieten. Na een verblijf van vier wekenkeerden zij naar lichaam en geest versterkt, veel beter en gezonderin het ouderlijk huis terug. Gedurende hun uitstapje bleef ik meestte Zürich achter en het viel mij dan bij bet afleggen van velebezoeken in de stad, vooral in de arbeidsbuurt op, boe vele armekinderen, hunnen vacantietijd in dompige woningen en benauwdestraten, meest zonder toezicht doorbrachten.

Ik kwam tot de overtuiging, dat voor hen de vacantietijd geenontspanning, geen weldaad was, en zij gedurende den schooltijdbeter bezorgd waren. Nu maakte zich de gedachte van mij meester:Als aan mijn kinderen, die het toch, wat woning en voeding aan-gaat, zooveel beter hebben, dan zij, een kort verblijf op bet landten goede komt, hoeveel te meer moet het dat dan zijn voor armekinderen, en ik vatte het besluit op, hun, zoo dit maar eenigzinsmogelijk was, dezelfde weldaad te doen genieten.

Aan niemand dan aan mijn vrouw en een zeer goed vriend, diemij tot heden steeds trouw geholpen heeft, deelde ik mijn planmede. Ik vreesde, dat anderen met tal van bezwaren, misschienmijn besluit aan het wankelen zouden trachten te brengen. Mijnplan stond vast, daar bet mij was, alsof bet gegrond was op eenhooger bevel en de vrucht van een innig medelijden, dat ik nietkon onderdrukken.

Het gezegde van mijn vriend, den Bondsraad Schenk op het in1888 gehouden internationaal Congres te Zürich:De gedachte derVacantie-Ivoloniën is ontstaan uit het medegevoel van den eencninensch voor den anderen, zonder eenige nevenbedoeling, is deeenvoudige waarheid.

Langen tijd droeg ik mijn besluit in mij zei ven om en overlegdeik, hoe ik dit het best tot uitvoering kon brengen, tot dat ik betwaagde in Juni 1876 in het Dagblad der stad Zürich eene bedeaan de kindervrienden te richten om vrijwillige bijdragen voor hetvoorgenomen plan. Het eerste antwoord van het publiek was een