— 69 —
den zoo treurig, dat in dat jaar slechts 2 kolonies konden wordenuitgezonden. Het oude vuur was bij het comité gebluscht. Dengrooten tegenstand moede, die janrlijksche contribuanten en giftendeed verminderen, liet men den moed zakken. Eenige der oprichtersbedankten, een hoogst gewaardeerde ontviel door een plotselingoverlijden; eenige andere commissieleden werden benoemd, dezebrachten eenige vrienden als nieuwe leden aan, maar daarbij bleefhet. En zoo kwam men er allengs toe er een klein „onderonsje”van te maken. Ik zeg dit met te meer vrijmoedigheid, omdat ikzelf reeds 8 jaar lid van het comité ben. Zoo weinig was deVereeniging bekend, dat toen ik aangezocht werd lid van het comitéte worden, ik haar bestaan nauwelijks kende en ik weet zeker datmenig Rotterdammer van haar bestaan in’t geheel niet bewust was.Er werd zeer weinig publiciteit aan de zaak gegeven, het hielp immerstoch niet! Ik herinner mij, dat op eene Jaarvergadering werdvoorgesteld ook maar geen jaarverslag meer uit te geven, ter be-sparing der kosten. Ja, zelfs de kinderen die nog uitgezondenwerden, werden een „onderonsje”; ’t waren in hoofdzaak haast altijdkinderen uit dezelfde families.
Gelukkig is langzaam, zeer langzaam, verbetering in dien toestandgekomen, ofschoon de Vereeniging dreigde een’ kalmen dood testerven. Hoe die verbetering is ontstaan kan ik niet in detailsvermelden, misschien is ééne der redenen, dat een goede bekendevan mij lid van het comité werd, die koopman en fabrikant zijnde,bij ondervinding wist, dat men van eene kleine zaak geene grootemaakt, als men wacht en stille zit!
Allengs verbeterde de toestand. Er kwamen weder meer con-tribuanten en giften in, eenige voorstellingen werden ten bate derVereeniging gegeven, in 1893 een groot feest in den Schouwburg,dat netto ƒ 3000.— opbracht en zoo klom het aantal kinderen, datuitgezonden kon worden wederom tot het vroegere cijfer van4 koloniën en allengs tot 5 koloniën.
In 1893 had er nog een heugelijke gebeurtenis plaats. Denieuw benoemde Burgemeester, de Heer F. B. s’ Jacob, aanvaarddehet Eere-Prcsidentschap en zijne echtgenoote, dat van het Dames-comité. Ik ben wars van alle vleijerij, maar ik wensch met een