11
was. Maar in zijnen voortreffelijken vader behield hij eenenleidsman, die hem en zijne broeders niet alleen met eenuitmuntend voorbeeld voorging, maar die hen steeds meteen wakend oog gadesloeg en voor hunne opvoeding zorgdroeg. Hoe hij zich van die taak kweet, daarvan getui-gen de nog bewaarde 4 ) aanlcekeningen, op verschillendelijden door hem gemaakt en die, behalve andere punten ,tot zijne familie betrekking hebbende, ook den aanleg, devorderingen en het gedrag zijner zonen betroffen.
Zoo vinden wij het volgende over zijnen zoon Christiaandoor hem opgeleekend, toen deze veertien jaar oud was:
»1643. Begreep met een zonderlinge promptilude al»hetgeen de mecanique of eenig ander deel van de mathesissmogte aangaan: ook straks raad wetende om bij model,softe ander handwerk , voor den dag te brengen ’t geen»maar ergens van zulks gelezen, ofte door anderen gc-»hoord had, zelfs met groote vaardigheid nateekenende allesgesnedcne prenten en diergelijke hem voorkomende 0 ): be-ssteedende voorts de snipperuren van zijnen tijd aan molen-tjes en andere modellen te maken : zelfs tot een draaibank»toe , die hij dit jaar zoo bij een had welen te snusselen ,»dat hij al eenig goed daarop begon te draaijen fi ).”
Uit dezelfde aanteekeningen van zijnen vader vernemenwij, dat hij hem in het volgende jaar, 1644, eenen leer-meester in de mathesis gaf. Die leermeester heette Stam-pioen, en het is te betwijfelen, of die naam wel immervoor het nageslacht zoude zijn bewaard gebleven, indienniet Christiaan Uuygens zijn leerling ware geweest. Datdeze echter goede vorderingen maakte, blijkt uit hetgeenzijn vader er hijvoegt: »hij begon de mathematique te leeren»met zonderling succes: niet alleen alles ligt begrijpende en