45
onmogelijk, toch zeer bezwaarlijk zoude zijn. Op Ilofwijckwerd een vijftig voet hooge mast opgerigt, waarlangs (ziePI. II, ah), door middel van een over katrollen loopendkoord (g h g) een plank (f f) kon worden opgeheschen, dieden objectieftoeslel (i k) droeg. Deze bestond uit een korteblikken bus, waarin bel objectief besloten was, welke busdoor lusschenkomst van een op de plank bevestigd bolschar-nier en een toegevoegd evenwigt (n) in allerlei rigtingenkon bewogen worden. Dit geschiedde door een lang koord[l a) , waarvan bet boveneinde bevestigd was aan eene metde objectiefbus verbonden slaaf, terwijl bet benedeneinde,door lusschenkomst van een dergelijke staaf, verbonden wasaan de bus, die het oculair bevatte, dat de beneden opden grond staande waarnemer in de band hield. Het kwamer dan op aan, door gepaste besturing van de beide koor-den , het objectief en bet oculair zoo te riglen , dat beidendezelfde as hadden , in welker verlenging zich bet voorwerpbevond, dat men wenschte te beschouwen.
Men gevoelt dadelijk, boe groote bezwaren deze omslag-tige en , boe vernuftig ook, toch zeer gebrekkige inrigtingbij het gebruik moest opleveren. Het getal der daarmededoor Huygens verrigte en in zijn dagboek opgeteekendewaarnemingen is dan ook gering. Daaronder is geene enkeleontdekking van eenig gewigt. In 1084 zag bij echter voorbet eerst de vierde ster in het trapezium der nevelvlek vanOrion. Die nevelvlek, een zijner eerste ontdekkingen, isook het voorwerp zijner laatste sterrekundige waarneminggeweest. Den 4den Februarij 1694, in het jaar voor zijnendood, maakte bij daarvan eene voor ons bewaarde pentee-kening in zijn dagboek 7B ).
Het kon wel niet anders , of de gesprekken der beide