46
broeders moesten dikwerf hunne gezamenlijke werkzaamhedenen waarnemingen tot onderwerp hebben, en even natuurlijkis het, dat die gesprekken niet enkel liepen over hetgeenmen regtstreeks zag , maar ook over hetgeen men niet zag,maar voor mogelijk of waarschijnlijk hield. Die planeten,die manen, die kometen , die zon , die sterren, welke zijzoo dikwijls door hunne kijkers beschouwd hadden, watwaren deze? Niet anders dan lichtende of donkere bollen,welke zich van eeuwigheid af langs vaste banen door deonmetelijke hemelruimte in zwijgende eenzaamheid bewegen?Of zijn zij nog iets meer? Zijn zij ook de woonplaatsenvan bewerktuigde wezens, van planten en dieren? Welligtook van redelijke wezens, schepselen als wij of meer danwij zijn ? Gewigtige vragen voorzeker, die als van zelfopkomen bij ieder, die niet enkel blijft staan bij hetgeende onmiddellijke waarneming hem aanbiedt, maar die ookover het waargenomene nadenkt en langs den weg der re-denering van het bekende tot het onbekende tracht door tedringen. Reeds vódr Huygens zijne denkbeelden daaromtrentmededeelde, hadden Keppler 76 ), Kircher 77 ) en laatstelijkde geestige secretaris der Parijsche akademie, Fontenelle, 78 )daarvan het voorbeeld gegeven. Doch beide eerstgenoemdenhadden daarbij aan hunne verbeelding en laatstgenoemde aanzijn vernuft den teugel gevierd. Niet alzoo Huygens. Hijbehandelde ernstige zaken op eene ernstige wijze. De Cos-motheoros 7B ) , welke de vrucht zijner overdenkingen en vande met zijnen broeder gehouden gesprekken over de be-woonbaarheid der overige hemelbollen bevat, kan veeleervergeleken worden met het in onze dagen verschenen werkvan Brewster 80 ) over hetzelfde onderwerp. Alleen vergetemen niet, dat* deze ruim anderhalve eeuw later schreef en