73
oorspronkelijke in zijn bezit was. Daar dit werkje niet in denhandel is, zoo neem ik dit testament hier over, vooral ook omdathet strekt om den schrijver iets nader te doen kennen, en om-dat daaruit tevens blijkt, dat, wanneer Condorcet (1. c. , p. 133), —die nergens zijne bronnen noemt, en wiens geheel Eloge trouwensde blijken draagt van met overhaasting en weinig zorg geschrevente zijn, — zegt: „la perte totale de ses facultés préceda samort de quelques mois,” dit voor het minst overdreven is tenoemen.
»Op huyden den XV. July 1695, compareerde voor my Adamvan der Smalingh Openbaer ende by den Ed. Hove van Hol-landt geadmitteert Notaris in ’s Gravenhage residerende, presentde getuygen naergenoempt, den Ho. Ed. gebooren Heer d’ HeerPhilips Doublet Heere van St. Anne Lant etc., Vrouwe Susannalteyckaert, Huysvrouwe van den Ho. Ed. geboren Heer d’ HeerConstantyn Huygens Heer van Zuylichem, Raet en Secretarisvan zyn Con'. Maj‘. van Groot Brittagne, ende vrouwe JacobaThedingh Berckhout, Huysv'. van den Ho. Ed. geboren Heerd’ Heer Lodewyk Huygens van Zuylichem, Raet ter Admiraliteytop de Maze tot Rotterdam, ende Exhibeerde aen my Notaris,seeckere besloote Dispositie Testamentair by wylen den Ho. Ed.gebooren Heer d’ Heer Christiaen Huygens , in syn leven Heerevan Zeelliem, voor my Notaris ende seeckere getuygen op denxxiij Maert 1695 gepasseert, ende naer dat lek Notaris de actevan supperscriptie hadde gevonden gaeff en ongecanceleert, wiertiek door de respective comparanten versogt hetselve te openen,’twelck alsoo passeerde in ’s Gravenhage voors. met kennisse vanJohan Wiljeth ende Samuel Favon Junior, als getuygen, enhadde geteekent Ph. Doublet yan St. Anne Lant, Suzanna Rey-ckaert, Jacoba Thedingh Berckhout, .1. Wiljeth, S. Favon Junior,onderstont Quod Attestor geteeckend A. v. d. Smalingh, Not’.publ. 1695.”
»In den name des Heeeen. Amen.
»Ick onderges'. overdenckende de seeckerheyt des doots, deonseeckere tyd ende wyse van dien, en soude dienvolgende nietgeerne uyt dese werelt scheyden, sonder van de tydelyckeGoederen my van Godt Almagtigh verleent gedisponeert te heb-ben ; alvooren daer toe te coomen, beveele ick eerstelyck endevoor aff myne onsterffelycke ziele inde Bermhertige Handen vanGodt Almagtigh, myn Lichaem de Aerde met een Christelyckebegraeffenissen; wyders te revoceren, casseren, doodt, ende teniette doende by deesen alle voorgaende dispositiën van uyttersten