Band 
Eerste Deel.
Seite
157
JPEG-Download
 

OF WERKTUIGKUNDE.

if 7

van beweegingeB. dus moet men ook op C A cn 1 K, zynde de lynen waar in dezwaarte werkt,de loodregte lynen BA en BS trekken,men kan derhalve begry-pen , dat de zwaarten ruitende op de assen, in de punten A en S zyn : Dus zalmen hebben twee hes hoornen, waarvan ABE voor het grootc wiel, en SBOvoor het kleine wiel is, zodat aan de einden A cn S de zwaarte hangt, aan O enE de trekkende magten zyn ; bygevolge zal de magt F zyn tot het gewigt in A , alsAB tot BE, en de magt G tot het gewigt inS, als SB tot BO: maar BEis gclyk aan CA, w-lke de Sinus is van den hoek CBA, en BA de Sinus vanden hoek BC A : gelykerwys is BO gelyk aan IS, en deeze de Sinus van denhoek IBS, en BS de Sinus van den hoek BIS: Ómdat nu de scherpe hoekCBA grooter is dan IBS, en BCA kleiner dan BIS. zal de Sinus C A totAB eene grooter reden hebben, dan IS tot SB: wanneer derhalve de mag-ten F en G evenkrachtig zyn, zal de beweegingski acht van F, aan CA, groo-ter reden hebben tot het gewigt aan A B, dan G aan IS heeft tot het gewigtaan SB, bygevolge zal de magt F gemakkolyker het groote wiel over de onef-fenheid DB ligten , dan de Magt G het kleine wiel.

Het gewigt van het wiel hangende in A, zal altyd zyn tot de magt F trek-kende over de oneffenheid DB, als de Sinus van den hoek, welke gemaakt wordtdoor eene lyn , getrokken uit den as C, tot de oneffenheid B, met eene lynevenwydig aan den gezigteinder, getrokken uit het zelve punt B. weike is BA,tot de Cosinus van denzelven hoek is ; dat is als AC tot A B.

§. 50< 5 . De moeielykheid van het wiel in te klimmen over oneffenheden groeitin eene grooter reden , dan de hoogte der oneffenheden : Want deeze hoogteny>y, BD zyn als de Sinus versus Kr, KS van de Cosinus des hoeks van nei-ginge: daar de magt is rot het gewigt, als de Cosinus is tot de Sinus des hoeksvan neiginge, welke laatste reden Ichielykcr aangroeit, dan die van den Sinusversus.

§. 307. Hieruit vloeit nu, indien de oneffenheid VW zy evenhoog als dehalve middelyn van het rad KI, dat de magt G, hoe groot zy nok zyn mag,in de leiding IG het wiel niet zal kunnen voorttrekken: dewyl SB groeiende,B O kleiner geworden is , en op het laatst geene grootheid meer heest; maardezelve magt F, trekkende het groote wiel XZ, zal het nogh kunnen ligtenover V W , dewyl zy in opzigt van 't gewigt alleen vereifcht wordt, als V m ttot V ».

§. ;o8. De magten G en F, moeten in het begin, wanneer zy de wielen zul-len gaan opiigten , de grootste kracht gebruiken : Maar zo ras de magt G eenweinig het wiel y Lr opgeligt heeft, vermindert de lengte des hefbooms BS,waaraan het gewigt hangt, en BO wordt grooter, waar aan de magt trekt:omdat B S geduurig kleiner wordt , ja zelfs niets op het laatste , zodatde magt G geduurig voorttrekkende, het gewigt vanc wiel geraaklyker op-ligt.

§ 309. Daar zyn nogh andere redenen , welke maaken, dat een groot wielgemaklyker voort getrokken wordt, dan een klein wiel. i°. Omdat de wry-ying op den as van een grooter wiel, is tot die van een kleiner wiel, als de

V }