V ER K L A A R I N G
DER )
T Y T E L P R I N
D ien ’t lust door ’t oog een net verhaal te leezenVan’t werk en d’aartder schrandre Japoneezen,
En hoe zy in hun levenswyz’ bestaan ;
Hy doe ’t gezicht üegts op dees Konstprint slaan ,
Waar door hy ’t à een kort begrip kan weeten.
Hiftorikunde i in ’t midden neergezeten ,
Die door haar pen, die vlug en vaardig is,
Den grond ondekt van ’s Lands geschiedenis,
Ontfangt hier, tot een onbezwalkte klaarheid,
Geschriften van de oprechte en zuivre Waarheid ,
Die haar doet in een’ heldren Spiegel zien,
Hoe zy bedrog en logentaai moet vliên.
Haar blanke Borst, bekleed met Zonnesraaien,
Van helder licht, toont dat ze nooit kan dwaalenVan’t* heilspoor af, in’s waerelds woesleny;
Dies die haar volgt is van verleiding vry.
Haar voeten zyn bedekt met Tafereelen,
Waaronder men, om ’t scherp gezicht testreelen,
De Landstreek van Japan in ’t kleen beschouwt.
Een’ Leer aar , dien de wetten zyn vertrouwt ;
Wyst met zyn hand op zejpaar Hemelmerken , '
Om zyn gemeente in haar geloof te sterken, : ;
Dus word hier op het duidelykst’ vertoont.. Dat • Godsdienst ,'by 'dè*Dmi^LVo^vh^oont, ;
Schoon afgedwaait-van *t Tphemerlicht dér redèn. • .
Een Telgrim komt zyn rechters hekleeden,
Een Man en Vrouw staan achter zyn gezicht.
Wat verder ziet men een Japansch Gestigt.
De voorgrond praalt met Lakwerk, hoog van waarde,Welks weêrgaê nooit gevonden word op aarde,
En Zee-Gewas, dat, door Natuur bewrocht;
Als ’t Torcelein , van kenners word gezocht ;
Ook Zyde tot een dierbre stof geweven :
Dit is ’t waar van de Landgenoot moet leeven.
Om hoog vertoont zich ’t Wapen van Japan ,
En achter langs het flaauw gebergte kan ■
Men Akkers, die bezaait zyn, klaar beöogen,
En Heesters, daar , door kracht van ’t Alvermogen,
De Thee op groeit. Ziet daar een kort berichtVan dit Tafreel, door konst gestelt in ’t licht.
C. BRUIN.