VAN JAPAN.
: ovtugeescli schip naar Batavia moeten-
zwom encn doornen
óe , gingen , al waar een dezer driewoonde. Hanjemon en zyn medegezelgingen aan boord van ons schip te rugnaar Stam ; de laatste verstond tot zyngrpote smette, dat zyn wyf, duldeloosover zyn langduurig en verdrietig afwe-scn,alle haare hoop, van ooit haaren manweder te zullen zien, opgegeven had,en roet een Portugeesch getrouwt was, bywien zy reeds een kind overgewonnenhad.
Op den dertigsten spoededen wy zeerweinig. Op den een en dertigsten kroe-gen wy een klein toeval, wordende zoschielyk door een rukwind overvallen,dat eer wy de zeylen konden inhaaienwy onze fokkemast verloren , dewelkevan boven tot onderen door spleet, enten deele op het dek en ten deele overboord viel. Twee van ons volk, dieboven aan den top van de mast stonden,geraakten daar mede over boort, waarvan d’een recht na ’t schipdoor middel van touwen cdie men hem toereykte geret wierd.D’ander miste het schip, maar sloeg hettouw aan, door het welk onze boot aan’t schip vast was, en hield het vast ; niettegen staande het schip zeer. geweldigvoort gedreven wierd,, tot dat twee ka-reis in de boot stapten., cn hem metgroote moeyte in dezelve optrokken.Geen van hen beyden scheen uyterlykbezeert of gekneust, doch d’een klaagdeover giooic py n in zyne zyde, en dan-,der in zyne borst. Het was een gelukvoor ons, dat het touw aan de fokke-mast brak,om dat dit anderzins de groo-te mast mede mocht in noodt van bree-ken gebracht hebben. Zo ras haddenwy het anker niet laten vallen, 'en onzezeylen ingenomen, of de storm dreef o-ver ; wy bleven ten anker tot den vol-genden dag , onze fokkemast herstel-lende.
Op den eersten Juny keerde de windten Z. Z. W., en ten Z. wy drongenalle de zeylen aan zo veel wy konden,cn om het schip in evenwigt te houden,hcyschten wy beide de blinden op.
Onze fokkemast herstelt, en weer op-gerecht hebbende, en de wind gunstigblyvende, vorderden wy zeer veel, in^ k gezicht hebbende een laag vlak land,'oor. zyndc de kusten van Ligor , en op denwerden berykten wy drie groote Eylan-den, op tien graaden noorder breedte,behorende tot het Koninlcryk van Ligor,Puli Cor- het eerste dat in de kaarten genoemtÏ'u'h q W01 , ^ vlt Cormm , des morgens ; hetcury. an ' tweede P uh Sancory , ’t welk net onder
I. Boek. I. Hoofdst. 9
den tienden graad noorder breedte legt,ontrent den middag ; en het derde Puli Paü Bot-Bordia kort na den middag. Des avonds t,ia 'hadden wy ze alle achter onzen rug, enwy waren ten uytterste verheugt, overdat wy nu geraakt waren binnen hetryks gebied van Simn ; want op den vyf-den Juny bereykten wy dg: kust van Km,blyvende de wind gunstig Z. W. Z. Z.
W.,en Z. duuren. De kusten hier langsheen zyn zeer hoog en klipachtig, en zoals ’t my toescheen niet ongelyk aan dievan Zvieeden , met veele gevaarlyke plas-ten, klippen, en kleine Eylanden,langsheen,ten deele bewoont enten deele on-bewoont, waar over ik my te meer ver-wonderde , om dat daar van niet het al-lerminste stipje in onze kaarten re vindenis; en ik kan niet nalaten in ’t algemeenaan te merken, dat de meeste zee-kaartenzo qualyk gemaakt zyn, dat ik my ver-wondere, dat er geen meer ongelukkengebeuren, na dien men geen de minstestaat maken mag op haare aftekening.
Monproncena , een Koopman te Stam , deedmy eenige onderrechting ontrent dezekusten, welke hy zeer grondig kende.
Hy was faktoor van den laatsten voor-gaanden Koning, en in de laaft ledenommekeering van de Regering in Stam,
(waar van breeder in het volgende hoofd-stuk,) wierd hy door de Franscben geno-men , díe hem beroofden van al het gee-ne de Koning in zyne bewaaring gege-ven had , en dáár benevens hém nochveel van zyne-eige goederen ontnamen,en hem toen te Palïakatta aan , land zette-! den, alwaar de oppérvoogd hem vrien-delyk ontfing, en hem met zyn huysge-zin naar Batavia zond. Hy noemde degrootste der voorgemelde klippen cnEy-landjens Samajotn , en de volgende vandaar tot aan den mond van de rivierMeïnam, De verschelde rotsen en Eylan-den , welke wy aan bakboord zagen ,noemde hy in ’t algemeen. Bran, of Pra-ni. Daar na, zeide hy, volgde Czam ,of Ce’am, verder opgaande Putprib , danIfen, daar na Mayaklon , voorts Satzyn,en eindelyk de mond van de Meïnam ,welke in de Siamfcbe spraak genoemtword Pagnam laufia.
Op den zesden Juny des avonds qua- Aankomst^men wy behouden op de reede van Stam, d ^ ec "
en van onze aankomst door yyf kanon-schoten kennis gegeven hebbende, wier- .pen wy het anker; de mond van de Meï-nam was recht noorden drié mylen afge-legen.
Op den zevenden, vroeg in den mor-gen ging ik aan land met Mr. Gadis# 1 *
en van Loon. Van de plaats af daar wyB ten