Buch 
De beschryving van Japan : behelsende een verhaal van den ouden en tegenwoordigen Staat en Regeering van dat Ryk, van deszelfs tempels, paleysen, kasteelen en andere gebouwen; van deszelfs metalen, mineralen, boomen, planten, dieren, vogelen en visschen. Van de Tydrekening, en Opvolging van de Geestelyke en Wereldlyke Keyzers. Van de oorfpronkelyke afstamming, Godsdiensten, gewoonten en handwerkselen der inboorlingen, en van hunnen koophandel met de Nederlanders en de Chineesen. Benevens eene beschryving van het Koningryk Siam / In 't Hoogduytsch beschreven door Engelbert Kæmpfer, ... ; in het Engelsch overgezet, door J.G. Scheuchzer ... ; Voorzien met kunstige kopere platen, onder het opzicht van den ridder Hans Sloane uytgegeven
Seite
440
JPEG-Download
 

44 °

AANHANGSEL VAN DE

indien ze niet geplukt wierden, niet zou-den afvallen, zynde het een altyd groeneplant, en in wezen, maekièl, koleur engrootte, wanneer ze haaren vollen was-dom hebben, gelykende na de bladen vande Cerasus hortenjts fruPlu acido , maar wan-neer zy jong en teer 'zyn, en ten gebruy-ke vergadert worden , nader overeenko-mende met de bladen van de Evonymusvulgaris granis rubris , de koleur alleenuytgefloten. Van de steeltjens der bla-den komen in den Herfst voort de bloe-men , een of twee by een, gelykende nade Eglantier of wilde roozen , een duymof meer over ’t kruys, met zeer weinigreuk, wit, zes bladig , of zaamgestekuyt zes ronde holle bladeren, staande aansteelen van een halve duym lang, die vaneen klein teer begintzel allengskens bree-der worden, en in een onzeker getal ein-digen , gemeenlyk vyf of zes kleine ron-de schobbetjens of bladen, die in plaatsvan de kelk verstrekken. Na de bloe-men volgen de vruchten in groote menig-te, zynde, Een, Twee , doch meeste door-gaans drie vakkig, gelyk dezaadknoppenvan de Ricinus , zaamgestelt uyt drie ron-de buysjens , van de grootte als steepruy-men, zaamgegroeit aan eene gemeenesteel, als aan een middelpunt, doch on-derscheide door drie zeer diepe aficheidin-gen. Yder huysje heeft in zich een schil,noot, en zaat. De schil is groen nadenzwarten hellende, wanneer ze ryp is,van een vette vlieíàchtige, en eenigzinshoutaehtige stoffe,en doorschynende,enals ze een jaar gestaan heeft, aan de bo-venkant gapende, zo de noot die binnenlegt, zich vertoont. De noot is bynageheel rond, aan de eene zyde alleen daarde drie huyskens zamen groeyen is ’t ge-drukt, bedekt met een dunne, hardach-tige glimpende, kastanje koleurde bast,welke gekraakt zynde,ontdekt een rood-achtige kern, van een vaste stof gelyk eenhafenoot, van een zoetachtige in den begin-ne,niet zeer aangename smaak, die ras ruu-wer en bitter word, gelyk de kerste pitten,doende dikwils spuwen, en zeer walgach-tig makende, wanneer ze in de keel komen,Welke 1 quaade smaak evenwel ras over-gaat. ( Ziet de 38 plaat, in welke vertoontworden twee takken van de 7 bee -Jlruyk , metde bloemen , zaadbuyskens en zanden , en eenvertooning van de gebeeleJlruyk , zo als diedoor de Japoneesen zelf afgebeeld word in hun-ne kruyd-boeken. )

§ z. De Thee, door de JaponeesenNaamen. Tfjaa, en door de Chineeièn : lbéb ge-noemt heeft tot noch toe in de geleerdeLands-taaie, door de Accademien goed-gekeurt, geen eige byzonder merkteken.

Ik verstaa dit van zodanige, die op eenreys eenig begrip fgeven van den eigenaardt der.dingen, door dezelve uytge-druktjondertuifchen heeft men verlchei-de andere merktekenen aan dezelve gege-ven ; ván welke sommige enkelyk uyt-drukken de klank van het woord, ande-re weer zinspeelen op \ de krachten enbeschryving van de plant. Van deze laat-ste zoort is dat, ’t welk vertoont de wink-braauwen vanD«raa,een uytmuntendHey-lig onder de Heydenen Het zal niet oneigezyn hier ter plaats de historie van dezenman in te voegen, niet alleenlyk om dat zevermakelyk en zonderling is in haar soort,maar voornaamentlyk om dat ze diend totbestempeling van den tyd,wanneer,volgens’t gevoelen der Japoneesen deze plant,eerst in gebruyk geraakte. Dar ma was dederde zoon van Kajtuwo een Indiaaniche.Koning. Hy was een heylig en gods-dienstig persoon, en gelyk een Paus inde Indien , de acht en twintigste opvol-ger op den Heyligen Stoel van sinka , deGrondlegger van ’t^Oosterfch Heyden-dom, die zelf een Indiaan en een Moorwas, zynde geboren een duyzend en achten twintig jaaren voor onzen Zaligma-ker. Omtrent het 519 jaar Christi quamdeze Darma in China. Zyn oogmerk wasom de Inwooners van dat volkryke Landte brengen tot de kenniflè Godts, en zynEuangelium en Godtsdienst aan hen teprediken, als de waare en de eenigste,die hen Icon leyden ter zaligheid. Hetwas ook niet alleen met zyne Leere,dathy poogde zich zelven nut te makenden menschen en aangenaam by Godt.Neen, hy ging verder, en streefde naarde Godlyke Genade, door een strengvoorbeeldelyk leven te leyden, zich zelfblootstellende voor alle ongemakken vanweder en wind,zyn Lichaam kasteyden-de en doodende, en alle driften van zyngemoed ondérbrengende : Hy leefde al-leen op de kruyden des velds, en oor-deelde dit den hoogsten trap van Heylig-heid> dag en nachten doortebrengen ineen onaigebroke en onverhinderde Satoridat is, beschouwing en overpynsing vanhet Godlyk wezen. Alle soorten vanRust, en uytspanning voor het Lichaamte verloochenen, de ziel ten eenemaal ge-heel en zonder nalating aan Godt toe tewyen, was het geen hy nam te zyn deoprechte boetvaardigheid, en de uytmuü-tendste trap, waar toe de menichelykenatuur komen kon. Na een gedurig gaanen om zwerven van veele jaaren, wierdhy eindelyk zo vermoeit en afgemat doorzynen arbeid en vasten , dat hy in flaapviel. Den volgenden morgen ontw aa "

kende,

Hist° ric

vanter* 11 *