De Japo-neesershebbengeen koop-handel no-dig metvreemde-lingen.
Woonenin een ge-lukkigeLucht-streek.
AANHANGSEL VAN DE
48 r
Zy hebben geen zachte peuluwen omhunne hoofden neer te leggen. Zyslapen op de grond, leggende hunnehoofden in plaats van een peuluwopeenstuk houts,of houte doos,iets ingedruktin het midden ; geheele nachten brengen,zy door zonder slaapen,en lyden allerleyongemakken. Maar anderiins zyn zygroote Liefhebbers van beleef heid engoede manieren, en zeer zinnelyk overhaar zei ven, en züyver en net over hun-ne ldeederen en huyzen.
Het is ’er waarlyk ver van daan, datik zoude meenen dat de Japdneesen zou-den afkomstig zyn van de verwyfdeChineefen, en ik vley my zelf, dat eenygelyk die niet vooringenomen is metde verhaalen van sommige der eerstereyzigers, en die de moeyte wil nemenvan zich te onderrechten en te onderzoe-ken na den oorsprong van de natie in hetLand zelf, geen zwarigheid maken zalom myn gevoelen te omhellen. Zyzyilveel eer van een Tarterschen aardt engeneigtheid, veel gematigder door be-schaaftheid en beleefdheid. Daar is inhun bloed een zamenmengsel van hetVuur en verwoedheid der Tartaarcn, ertvan de koelheid en zachtzinnigheid derChineefen.
§. 3. En niettegenstaande deze menig-vuldige en groote, tot hier toe opgeteldevoordeelen, zou het toch een ydeleonderneming in de Japoneeièn zyn, vanzelfs met al hun kracht en dapperheid hetLand te bewaren voor invallen van buy ten,en zelfs t’huys te blyven Zonder eenigegemeenfehap-houding met vreemde, na-tiën, indien het niet was, datzy binnenhunnê eige grenlên genoeg vonden , omten eenemaal vreedig en gerust vernoegtte leeven.
Van den tyd af dat het Ryk is opge-sloten geweest, heeft dc natuur, diegoedaardige Leermeestereiïè hen geleert,en zy zelve bekennen het zeer gaarn,dat zy volkomentlyk kunnen bestaan ophet geene het Land voortbrengt, en datzy niet nodig hebben dat vreemdelingenhen levcnsbehoeftens aan brengen. Elkeen die zich wil verleedigen het Land tcbeschouwen in desl'elfs gelukkigen staat,zal bevinden dat het geene ik hier zegge,waarachtig is. En in de eerste plaats ishet geen gering voordeel, dat de Lucht-streek by uytnementheid gematigtis,nietblootgestelt aan de brandende Zon derZuyderlyke Landen, noch aan den vorst,door de uytnemende koude der Noor-derlyke Landschappen. Het is genoegbekent , dat geen Landschappen zovruchtbaar, geen zo aangenaam en ver-
makelyk zyn, dan die leggentusschendedertig en veertig graaden Noorder breed-te. Men zoude met recht mogen tegen-werpen , dat Japan is een ruuw steen-achtig Land, met veele kettingen vansteyle toorens hooge bergen, en dat hetin de meeste plaatsen ruuw en dór zoudezyn, indien het niet met ongemeenezorg en vlyt bebouwt was» Maar hierin zelfheeft de natuur by Uytnementheidhaare goedaardigheid aan ditLand betoont ;dit schynend gebrek in de grond, ditgebrek van bouwing, is het dat de In-woonders opwekt tot de zó'zeer prys-waardige geest van arbeid en naarstigheid.Zodanig is anderiins de vruchtbaarheidvan het Climaat, dat ’er naauwlyks eenheuvel is hoe klein en ongezien, naauw-lyks een berg hoe hoog hy ook zyn mag,die bebouwt zynde, gelyk de meesteZyn , niet overvloediglyk vergelden eriopbrengen de moeyte, zorg, en arbeid,die de naarstige Landbouwer aan dezel-ve besteedt. Dat meer is, de aller-
ichfaalste plaatsen, die byna geen deminste bebouwing willen dulden, zynniet ten eenemaal onnut. Eene TalrykeNatie , zulken grooten Vyand vanlüyheid, gelyk de Japansche is, eri daarbeneven bepaalt binnen de enge grenslenvan eige Land, heeft geleert gebruyk tcmaken van de meeste voortbrenselen dernatuur, die of de Zee of het Land voort-brengt, niet alleen tot onderhoud van ’tLeven, maar Ook tot desselfs gemak enpleyzieren. Daar is weinig te bedenken ^of men ziet het óp haare tafels op de eeneof de andere wyze toegerecht. Veeledingen, die by andere Natiën versmaadtworden , maken een gedeelte uyt vanhun gerecht en lekkerste schotels. DcBostchen en wildernissen, de mœrafìènen woeste Landen van het Ryk, brengentoe haare wortelen en kruyden zo weltot overdaad als tot verciering van haaretafelen. De Zee levert uyt een zeergroote verandering van dierlyke en kruyd-of plant-stoffë, van lcrabbens, schulpvis-ichen, Holotburia , gelyk de Natuurkun-dige dezelve noemen, of Zeequabben,Zee-kruyden en diergelyke. De veny-nige hoedanigheid van sommige visschenweerhoud hen niet van dezelve te nuttigen.Niet te vergeefs heeft de Natuur zomil-delyk aan deze Natie besteed Lichamen,bequaam tot harden arbeid, en herflènentot verstandige en geestryke uytvindin-gcn. Een grond in haar zelven zo dor ,en zo zwaar om te bebouwen als de haare,was in zekere opzicht nodig, op dat hethen niet outbrake aan bequaame gele-gentheden, om hunne vlyt te oeffenen,
op