§2 Inleiding tot de algemeene Géographie ,de Rivier Cama, en ’t Klooster Piscoy ; uit die van Cathrina-Bergkomt ’s Jaarlyks 3000 poed Koper ; dat is, volgens ons gewigt,omtrent 960 centenaars.
ín Ame- Ili Pensüvanien , te Nieuw Jersey, is een ryke Koper-Myn,nca ' daar uit 100 pond Erts 30 pond Koper komt ; ook is 'er een inNieuw Jork : in ’t Zuider America zyn ook verscheide Koper-Mynen ; een voornaame is drie mylen ín ’t Noordoosten van Co-quimbo ; ook is een andere vyf mylen benoorden de gemeldeplaats (z) : twaalf mylen van Pampas du Paraguay is een rykeKoper-Myn ontdekt (a).
in Asia Ook komt Koper, in staafjes, uit Japan; in koeken, uit Barba-ca. Am r yen (zynde de Mynen bezuiden St. CruzJ; en in kleine stukjes,uit Angola;
Yzer- In Zweeden en Moscovien zyn veel Yzer-Groeven : verscheidemynen. yzer-Werken zyn in Sibérien ; uit dat geen , ’t welk men Cathrina-Berg noemt, komt, als ’er een geheel Jaar, zonder ophouden,in gewerkt word, 10000 poed raauw Yzer, of omtrent 4000 poedzuiver Yzer; dat is omtrent 1*280 centenaars, Amsterdams ge-wigt {b).
(juik- Ook vind men verscheide Mynen daar Cinaber uit gehaald word,Zllver ' daar men Quikzilver in vind : Pliniusve rhaalt, dat’er Cinaber-Mynenin Spanjen waren (r) ; ’t geen, waarschynelyk , die van Almadengeweest zyn, in de Provintie de la Mancha, daar nog tegenwoordigveel Quikzilver in gevonden word, ’t welk de Spanjaarden naMexico brengen.
Te Idria , in ’t Landschap Friuli . is een Quikzilver-Myn, dieomtrent 230 Jaaren in ’t bezit van den Keizer van Duitsland is ge-weest: ’t Quikzilver, dat, zonder behulp van Vuur, door Water,met een Zeef, gescheiden word, noemt men Maagden Quik ; ’t ge-beurt wel, dat men droppels Quikzilver in de Mynen ziet vallen,of dat het met een zeer dunne straal loopt; maar dit is ongemeen,
en
Ifz) Frezier Voyage de la Mer du Zud, pag. 233. ( sl ) idem, pag. 145.
(b) Emanuelis Swedenborgii Regnum Subterraneum Sive Minerale de Ferro,pag. 165, Dresdœ & Lipsise 1734.
(O Bib. 7, eap 33 : de manier, koe dat men bet Quikzilver doet te voorschynkomen, vind men in de Memoirien van de Fransche Academie, van ’t Jaar 171 9,van pag- 461 tot P a ê- 478 .