Buch 
Inleiding tot de algemeene Geographie benevens eenige Sterrekundige en andere Verhandelingen / door Nicolaas Struyck
Entstehung
Seite
91
JPEG-Download
 

of Aardryks-beschryvwge.

9 *

Inlandsche Uitlandsclïe Tezaamen

AldrovandusMoufctus -Hoefnagel -Goedaart -ZwammerdamBlan kaart -Merian - -PettiverAlbin - -Onze - -

Dag-kap.

Nagt-kap.

Dag-kap.

Nagt-kap.

8

77

T

, -,

45

IIX

9

3

5

11

10

- - -

- 16

160

32

50

23

zó

40

24

16

136

---

52

IOI 1

29 8

80

Kapellen.xi8l86 |5085 i1 C 8 J2 6(n)258 (0)H3(i0152 0 )531

In Oost- en West-Indiê’n vind men doorgaans grooter Kapellen,als in onze Landen ; uit Amboina komt een groote donker bruineDag-kapel met witte plekken en verdeelingen, als meede ééne,welker grond groen is, met zwart op zommige plaatzen, die zeerfraay is, en wel na Fluweel • gelykt, behalven andere, die op deVleugels schoone hoog-roóde plekken hebben, met veele anderecouleuren, streepen en stippen zodanig versiert, dat het een lust isom dezelve te zien : van de zelfde plaats komt ook een Nagt-kapel,welker couleur wel na rood-aarde gelykt; men vind dezelve ookby Malacca CO : de vleugels, dwars over 't lyf, zyn te zaamenbyna io duim breed, en, volgens de lengte van 't lyf, ruim4 duim Rhynlandiche maat. In de Nagt-kapellen worden de man-netjes van de wyfjes meerendeels onderscheiden door de Hoorens,en in de Dag-kapellen door plekken, streepen, en andere ken-tekenen. Men heeft alle de geilagten nog niet ontdekt : op plaat-zen, daar andere Planten groeijen , zyn veeltyds ook andere Ka-pellen; zoo vind men by Haarlem, aan de Duinen, Dag-kapellen,die boven op de vleugels geel zyn , met zwarte vlekken, en van

M 2. on-

(m') Johan. Zvaamtnerdam Histor. Insect. Generalis, pag. 130, 128 en 134,Utrecht 1669. .

(X) Schouwburg der Rupien, Wormen, &c. Amst. 1688.

00 Maria Sybilla Merian der Rupsen begin, &c. Amis 1717 ; van de Surinaam-sche Insecten » in Folio? Amst. 1719*

(?) Gazophilacii Naturas & Artis Jac. Pettiver, Lond. 1702, par. i en z.

(?) Infectorum Angli® Nat. Hist. EL Albin , Lond. 1731.

(r) Pettiver Çazoph. , Tab. 8, Fig. 7.