of Aardryks-heschryvinge, 1^3
die 11 graad., 30 min. ; dog in ’t Jaar 1610 had men daar wederom8 graad. Noordoostering; na dien tyd nam dezelve wederom af tottot het Jaar 1666 S doe had het Compas op die plaats geen mis--wyzing; nadien tyd is dezelve na het Westen geweeken, zooda-nig , dat men in de Jaaren 1716 en 1717, te Parys, 12 graad ,20 min. Noordwestering had; in 't saar 1731, den jden December,was die 14 graad., 45 min. (/); in ’t Jaar 173 6, den isten May,£00 week een Naald van 4 duim, te Parys, van ’t Noorden na ’tWesten ís graad., o min. ; in’t volgende Jaar, den 5den May,zoo was de afwyking 14 graad., 45 min. ; 'in ’t Jaar 1738 was die
1 Ç graad, , 10 min. (g) , of nu dezelve aldaar te rug zal keeren,of verder na het Westen àfwyken , kan men met geen zekerheidzeggen ; althans de Heer Professor Mujschenbroek verhaalt, dat de-zelve te Utrecht begint te verminderen ; dat die, in ’t Jaar 1738,veeltyds was 12 graad., 15 min. ; en vier of vyf Jaaren te vooren,
2 5 graad en : tot Utrecht, in ’t Jaar 1729 , in de Maand Juny,verscheelde de kleinste afwyking met degrootste, 1 graad, 28mifi.(^).Mr. Graham zag in de Jaaren 1722, en 1723, te London, dat deafwyking niet alleen veranderde op verschelde tyden van’t Jaar;maar ook op verschelde uuren van den dag; dog dat zulks gebeurdedoor Oorzaaken die hem onbekend waaren : de verscheiden gestelt-lieden der Lugt, de hitte os koude, de droogte of vogt, de windof stil weêr,. gaven geen verandering daarin ; alleen zag hy in ’ügeneraal, dat de afwyking, opeen zelfde dag, op’t grootste was,van de middag af tot 4 uuren , en op ’t kleinste , tusschen 6 en 7uuren, na de middag : in’t Jaar 1722, den Ssien Maart, vond hy,na de middag ten 3 uuren, de miswyzing van een Compas, ’twelkin een kopere doos was, 14 graad., 25 min., en 3; uur daar na,maar 13 graad., 40 min.; dog een Naald, aan de zelfde Zeilsteen,en op dezelfde manier gestreeken, had, in een houte doos, omtrent5 minuten minder afwyking (/). Men heeft ondervonden, na eenfcwaare Donderslag en Blixem, die op een Schip viel, dat de Lelyen
X z van
(ƒ) Memoir. de 1’AcacL des Scienc., Ao. 1731, pag. 724, Amst. 1737.
Connoissance des lemps 1737, 1738 & 1739, pag. 196.r _.V 9 fhilosoph. Tranlact., Num. 4.25 , pag. 357 ; ook in ’t eerste deel van deUitgeleezen Natuurkundige Verhandelingen, by Jsaak Tiriori , pag. 186.
w fhilosoph. Transact- > Num, 383, van pag. 96 tot pag. 107.