Hollandse PROEVEN van heten met een Tak- en Zwavelachtig Lichaam fijnbeiwangert.
Deelè Beschouwingen dan wijders naspeurende,so moeten wy hen , om wat Reden de nu geleidePracïpitatien , op Redenen en Ondervindingen steu-nende , ons tot de waare Kennis van die Dingen,welke dat het Water uitmaken, mogen brengen.
En wijl dat wy alhier ter Plaatse het Samenweef-sel der verschelde Couleuren niet van sins fíjn afte beelden, so sullen wy deese alhier tot verkortingvoorby gaan. Het sy ons, die de dingen welke datin het Bad-water schuilen en naspeuren, genoeg, omte weten dat de Couleuren in de Verandering desSamenweefsels van’t Lichaam, nu eens door iuure,dan door Loogsoutige daar by komende, op vee-lerlei wijle veranderd, bestaan : En datse om deWeerafstuit of Straalbreking der Licht-Stralen seerVerscheidentlijk geschikt, ook ièer verschillende,werden voortgebragt : Die wy alle van daar by son-der helder en sonder couleur, na onsen wil en wenkleiden, maken en breken konnen.
Dat het Water geen Vitriool of Koperrood inheest, blijkt uit d’Inweikingvan Galnoten in hetselve , geen íwarte Verw, na Inkt gelijkende, nochook Purperverwige, daar aan mededeelende.
Dat er geen Salpeter in is, liet men daar uit,dat het na d’Uitdamping des Waters overgebleven,
en