— 10 —
in den grond mijner Iïeimath neerlegde, een krachtige boom ge-worden, die zijn takken en takjes verre uitbreidt.
Ik verheug mij daarover met het recht, waarmede ieder mensclizicli over iets goeds mag verheugen, dat hem vergund werd tevolbrengen.
Ik hen daarop echter niet in het minst trotsch en wanneer ikover de Gezondheids-Koloniën misschien wat veel spreek en schrijf,dan doe ik dit, omdat ik hoop velen voor een zaak te winnen,waarvan ik zelf het groote nut inzie en ook, omdat het spreekwoordhier bewaarheid wordt „Waar het hart vol van is, daar loopt demond van over.” Men boude mij dit ten goede.
Het denkbeeld der oprichting van Gezondheids-Koloniën had vanieder ander even zoo goed als van mij kunnen uitgaan of hetergezegd door God ingegeven kunnen worden. Om het te verwezen-lijken was er alleen wat menschlievendheid, Godsvertrouwen en moednoodig, dat velen zeker in hoogere mate dan ik, bezitten. Toch magik zeggen, dat voor dat het werk op zijne tegenwoordige hoogtegebracht is, er groote en onvermoeide arbeid is noodig geweest.
Sedert 20 jaar kan ik mij slechts tweemaal en nog wel op striktbevel van den doeter enkele weken vacantie veroorloven, dikwijlshebben mij zorg en angst gedrukt, zorg voor het verkrijgen dernoodige geldmiddelen, angst voor de honderden teêre, ziekelijkekinderen, die ik wel dikwijls naar buiten kon brengen, hen daarbezoeken en weder naar huis geleiden, maar bij wie ik niet konblijven daar beroepsplichten mij aan huis verbonden. Wat voormij het zwaarst was, en wat anderen eigentlijk zeer licht telden,was bet verzamelen van gelden. Hoewel ik den naam heb, eenebizondere gave te bezitten van te kunnen bedelen en een vriendmij zelfs schertsend „een genialen bedelaar” noemde, heb ik daartoeniet den geringste», natuurlijken aanleg, maar is het voor mij eenwerkelijk offer, omdat het mij zelfoverwinning kost, als ik anderenom hulp vragen moet. Hoe gaarne zou ik de verzorging der kin-deren, al was het dan maar voor een gedeelte, uit eigen middelenbestrijden en wat zou dat mij gemakkelijker vallen.
Wat mij echter den moed geeft, altijd weer bij anderen aan tekloppen is het bewustzijn, niets voor mij zelven te zoeken en de