Buch 
Christiaan Huygens in zijn Leven en Werken geschetst / door P. Harting
Entstehung
Seite
72
JPEG-Download
 

72

77) Iter extaticum coeleste, seu Opificium quo eoeli siderumquenatura, vires et structura exponuntur, Romae, 1636.

78) Entretiens sur la pluralité des mondes, Paris, 1686.

79) Er is eene Hollandsche vertaling van dit geschrift, die ikechter niet gezien heb , getiteld : Wereldbeschouwer, of gissingenover de Jlemelsche Aardklooten en derzelver cieraad, aangekondigdin de Boekzaal van Europa , 1698, p. 281.

80) More worlds than one , London , 1855.

81) Ik kan niet nalaten de wijze, hoe Huygens dit verrigtte,hier kortelijk mede te deelen. Hij deed dit door het beeld derzon zoo ver te verkleinen, totdat het hem voorkwam op zijnoog nog gelijken indruk te maken, als het licht eener vaste ster,b. v. Sirius. Daartoe bediende hij zich van eenen verrekijker-koker, zonder objectief noch oculair, maar aan het eene eindegesloten door een plaatje, met eene zeer kleine opening, van nietmeer dan een twaalfde van een lijn. In deze opening was eenglasbolletje bevestigd , dat hem als mikroskoop gediend had. Daaropwerd de koker naar de zon gekeerd, terwijl het hoofd van denwaarnemer geheel overdekt was, zoodat er geen licht kon toetreden,en nu zag hij het uiterst kleine zonnebeeldje, dat achter het alseen lens werkende glasbolletje gevormd werd, nog als eene ster,welke hem voorkwam in lichtsterkte niet voor Sirius onder te doen.Het was nu mogelijk naar dioptrische regelen de grootte van ditbeeldje, vergeleken met de schijnbare middellijn der zon, te be-rekenen, en zoo kwam hij tot het resultaat, dat dit beeldje slechtsïtÜïït van de schijnbare middellijn der zon had. Hieruit besloothij, dat Sirius, voorondersteld dat deze ster even groot en evenlichtsterk als de zon is, 27664 maal verder van ons verwijderdmoet zijn.

Toen ik in 1848 (zie Het Mikroskoop, deszelfs gebruik, geschie-denis en tegenwoordige toestand, Dl. I, bl. 78 en Dl. II, bl. 77)eene dergelijke methode uitdacht, om kleine dioptrische beeldjesdoor luchtbelletjes of door glasbolletjes te doen ontstaan en zoodo grenzen van het optisch vermogen van het oog en van hetmikroskoop te bepalen, wist ik niet, dat Huygens reeds anderhalveeeuw vroeger een dergelijk middel, ofschoon tot een ander doel,had aangewend.

82) De heer Schinkel heeft in zijn reeds aangehaald werkje(Aant. 51) een afdruk van dit testament gegeven, waarvan het

Pf nr» ^ :