s de beschryving en Geschiedenis
een byzonder imeerièl maken, om tebetten, en ’t vel der kinderen na de ma-zelen glad te maken,waar van ik op eenandere plaats een verhaal gegeven heb. .
Fyne iris. Onder de planten was inzonderheidom haare ongemene fraiheid aanmerke-lyk, een vleesch kolèurde Iris met gee-le strcepen, en een doornachtige vrucht,zeer na van de groote en de gedaantevan een nyot mufchaat, in drie cellenverdeelt, in yder dezer waren vier ron-de witte zaaden, by na zo groot als eenerwete.
Alle de schepen Van Batavia naar Stammoetende hebben van de Maatfchappy' last , om, zo ’t mogelyk is te Puli Ti-mon in te loopen om hout en water ,zyn-de dit Eyland tot dat einde zeer wel ge-legen , ontrent ter halver weg van Ba-tavia. My wierd gezegt, en het is nietX>nwaarichynlyk, dat’cr maar weinig on-derscheid is tuflchen Puit Timon , en PuliOor ten aanzien van de gelegenheid, aardtvan de plaats en manier van leven derInwoonderen. Op onze aankomst in denmorgen wierd’er een stuk geschut ge-lost , om de Inwoorders te nodigen metons te handelen - des avonds,na dat meneen goede voorraadt van hout en wateringenomen had , wierd het zelve tekengegeven, voor ons die na land warengegaan, om weer aan boord te komen.
Na ’t avond eeten maakte wy zeil,met een frissche gunstige koelte ; Puli Ti-mon , ’t welk in den ochtend N. O tenO. klein en smal geleek, vertoonde zichnu frayer en grooter ten O. N. O. on-trent een half uur afgelegen, en scheenontrent vier uuren lang en twee bréedt.
Den aí. May des morgens verlorenwy Puli Timon uyt het gezigt, en wyontdekten de hooge gebergtens van Ma-lacca op een merkelyke wydte voor uyt;wy stierden te N. W. en N.W.tenW.om schuyns naar ’t land te zeylen , ’tweick wy voor ’t ondergaan der zon in’t oog kreegen, zynde voor ’t vaste landvan Malacca en sommige kleine bygele-gene Eylanden. Wy paflèerden ’s nachtsde gemelde Eylanden en den twee entwintgsten des morgens quamen wybinnen een uur wydte van de kust vanMalacca langs welke wy onze coursvoortlëtteden na het noorden, met eenzachte voordeelige land koelte. De kus-ten van Malacca scheenen my toe nietongelyk de kusten van Ceylon, zeer ge-broken, en rotsachtig naar de zeekant,mettoorenshooge bergen tot in het land,anders groen en vol boflehen, en na al-le oogenfehyn zeer vruchtbaar.
Het weder schoon, en de wind den ge-
lieelen dag gunstig bly vende berykteriwy na zonnen ondergang, de twee Ey-landen , Puli Capas.
Op den drie eri twintigsten vorderdenwy weinig van wegen de stilte en tegenwinden , welke ons noodzaakten hetgrootste gedeelte van den dag op ankerte bly ven.
Op den vier en twintigsten May beryk-ten wy den mond eener rivier, en eenklein dorp op ’t vaste land van Malacca ,
’t welk in de Portugeesche kaarten Bu[igenoemt word. De bewoonders , alleVisschers, noemden het Terchannu. Dit nUiDorp scheen te bestaan uyt ontrent vyf-tig huysen of hutten langs het strandtgeboudt. Daar lag ten anker een Por-tugeesch schip met zyne ontwondenenvlaggen en wimpels, het welk, na ’tzeggen der Inwoonderen , van Macaoquam. De Inwoonders spreken het Zi-amsch en het Maleytich. Drie derzelvequamen in een hunner booten op, naarons Schip, om visch aan ons te Verkno-pen ; en voor een grof tafellaken kregenwy Zo veel visch, als twintig hongerigemenfehen konden eeteri, onder anderevisschcn waren er by, die zy Konings -•
Visch noemden den snoek niet ongelyk,en ontrent dríe voeten lang , Korkuadesgenoemt,door de Ncerlanders Paerdshoof-den , van wegen haare gedaante; roodsSteen-Braafsems , Salammets , en Jacob E-vertzens , visten. In den na de middagoverviel ons eene stilte, en wy wierpenhet anker in ’t gezigt van sommige '
kleine Eylanden, de Redans Eylanden ge-noemt. Sommige van ’t scheeps volk Eylau 'verlustigden zich na ouder gewoonte,met visten , en een van hen vong eenzeer fraye gestemde visch met negenstraalen. Het lichaam dezes vischs was Schoonevier duym in de Diameter,en yder straal gestemd®was byna anderhalve span lang, zo dat Visch.de middelstreep van ’t geheele schepzelten minsten drie spannen lang was. Debovenkant was rouw in ’t aanraken, alsof ze vol kleine schobben was. De dik-te van ’t lichaam zelf was van tweeduym breed , eene byzondere star ver-beeldende met negen korte straalen, bo-ven de zelf-standigheid van ’t lichaamuytstekende, in welker middelpunt eenrond gat of mond was, redelyk groot enomzoomd met twee reyen vezelen. Degrooter straalen waren in haaren omtrekvierkanti eene vinger dik, recht en spitsaflopende , van eene witachtige bleekc *kleur, en op de oppervlakte getekencmet vlakken , dwarfch overlopende alsWolken, gelykende na die van een Ty-gers huyd. De weerzydfche bovenein-den