V AN J A P A N.
vatbaare eygenschappen doen verdom-men. En tot dez.cn huydigen dag zyn’er onder deze Heydenen noch eenigc o-verblyh'elen van den ChaldeuwsdbenGodtsdienst , bestaande in dienst; aan'Zon en Starren bewezen, ’t welk henevenwel niet geleeit word door hunnePriestcren, maar alleenlyk geduld, ge-lyk eenige overbodige dienst ; gelyk 'erZelf noch eenige overgebleven zyn inChristclyke regecringen, van de aloudeHeydenfche gewoontens en bygeloovig-heden , inzonderheid de vastenavondsvermakelykheden. Twee artikelen inden Godtsdienst, dewelke op ’t heylig-ste onderhouden wierden , waren deverhuysing der zielen, en de eerbiedig-heid voor koeyen , inzonderheid voorde Heylige Koe te Memphis , Apis of Se-rapis genaamt , aan welke Goddelykeeere bewezen, en die dóór Priesters be-diend wierd. Deze beyde artikelen wor-den noch hedendaagfeh nagekomen dooi-de Asiatiiche Heydenen, voornamentlykdoor de geene, die aan de westzyde vande Gsmges woonen. Want niemant durftdaar het minste schoon het schadelykstediertje dooden , als zynde bezielt meteenige verhuysde ziel üyt een menfeh ;en de koeyen, welker zielen zy menen,dat door de menigvuldige verhuysingenals vergodetzyn, worden met de groot-ste achting en eerbied gediend en opge-past ; haaren drek tot ast the verbrandtmaakt men tot een Heylige zalve; haa-re pis diend voor geheyïigt water; debeeltenis van een koe bezit een byzonde-re Kapel voor hunne Tempelen, en worddageïyks gevoert met verffche bloemen,en men begiet haar met welruykendenoly. Het is ook opmerkens waardig,dat hoe nader deze Heydenen aan Egyp-ten zyn, hoe hun yver grooter is ten op-zicht van deze twee artikelen , en hoeverder zy daar van afgelegen zyn, hoezy te meerder daar in verstappen, zo datin Stam , en de oostelyker ryken de Prie-sters zelve geen zwaarigheid maken omkoe-vleesch te eeten, wel verstaande, datzy geen aanleiding noch toestemminghebben gegeven om ze te dooden ; ookZo is het gevoelen van de verhuysing derzielen daar zo niet aangenomen, als ’t'vel is onder de Benjanen in Hindofian ,'vant de Inwoonders van deoostzyde derG anges geven geen genade aan muggenof vliegen, die hen in hunne hiiyd stee-ken à ál alleenlyk zeggen, dat wyonder deze Asiatifche Heydenen niet al-w, cn , i J' | idcn de meerdere of gröoterej , n der Egyptenaaren, maar ookzelf- de mindere, schoon zy onder ande-
Í. Boek. II. Hoofdst. 2,7
re naamen en sabelachtige omstandighe-den zyn vermomt , dewelke niettemingemakkelyk kunnen opgeheldert wor-den.
II . Is het aanmerkelyk, dat over drie entwintig honderd jaaren, of volgens denaauw keurigste rekening in het vyfhon-dert en zes en dertigste jaar voor Christusgeboorte, Cambyfes , de Persiaansche Ty-ran , den Godtsdienst der Egyptenaarenomver wierp , haaren Apis , of HeyligeKoe dengrootstenBescheraaheylig doode-de , en hunne Priesters of vermoordeof brande. Zo men nu overdenkt, datde Siamiters haaren Soncarad, of kerkely-ke Epocba , tyd rekening, tellen van ’toverlyden hun’s grooten Heyligen, komthaar 1x33-4 de jaar over een met het on-ze 1690. na de geboorte Christ! , en ’tzal blyken, dat de gemelde Epocba overeen stemt met dien tydt, en dat mendaar uyt mag befluyten , dat toen eenvoornaam Priester van Mempbis , aanwien zy den naam Budha , Siaka of groo-ten Heylig gaven, met zyne broederengevlucht is naar de Indien , alwaar hy zy-ne leere heeft verkondigt, welke zo welaangenomen wierd, dat ze haar uytfprei-de tot aan het uyterste van ’t oosten.
III. Hun Heylig afgebeelt wordendemet gekrult hair gelyk een Neger, zogeeft dit voet om te befluyten, dat hygeen geboore Indiaan , maar onder deluchtstreek van Afrika gebooren was;nadien de lucht in de Indien , aan des-selfs zwarte Inboorlingen niet geeft diezwarte gekrulde wol, maar lang zwarthair , ganfeh fluyk, en zeer weinig ge-krult : En schoon de Siamiten het hun-ne afsnyden, en ’t fléchs een vinger langlaten, als het evenwel recht op staat, ishet gemakkelyk te onderscheiden van dewolachtige krullen van een Neger, engevolglyk is het waai-ichynlyker , datBrnlba van eene Afrikaanfche dan vaneen Siamfche afkomst was.
De Siamiters zyn doorgaans een een-voudig goedaardig volk. Hunne Gees-telyken leiden een bedaard en streng le-ven ; want zy streven naar een staat vanvolmaaktheid in deze waereld, aangenaamden Hemel, en gepaart met eeuwige be-looningen, door ’t onderbrengen hun-ner driften , en door ’t dooden hunnerbegeerten, volgende de leere en ’t voor-beeld van hunnen grooten meester. Zolang zy in den geestelyken staat blyven,trouwen zy nooit, maar woonen by eenin Kloosters na by de Tempels. Zygaan byna geheel naakt, hebbende Hechtseen stuk laken of een fluyer om hunmidden, van een donker geele kleur,D 2. g»
Van deGeestely-ken vanSiam.