at ^ a
VAN JAPAN. I. Boek. III. Hoofdst
van China in te loopen, om versch wa-ter in te nemen, van ’t welk wy geenmeer voorraad hadden dan voor eenemaand, en daar na, van daar naar Bata-via te keeren. Sommige reyzigers, enwie maar in eenig aanzien was by descheeps-Raadt poogden haar in dezenvoorslag toe te stemmen, welke ook naalle waarschynlykheid zou zyn goed ge-keurt geworden, indien de stuurmandaar tegen niet sommige tegenwerpingenbad opgeworpen. Wat my zelve aan-ging, hebbende in myne bewaring eendagregister van een reys naar Japan , ’t’tvelk ik van een zeer goede hand ontfan-gen had, zag ik daar in, en bevond,date en Hollandfch schip eenige jaaren te vo-ren behouden in Japan was aangekomen°P het einde van Herfstmaand. Dieshal-yen ging ik in stilte by den Kapitein, enik gaf het eerst in zyne bedenking, datde doornatte huyden het bezwaarlykZouden kunnen uythouden in de heetelucht van Batavia , zonder te bederven,e n dat hy naderhand zouw verantwoor-delyk zyn voor de schaade, als zyndeveroorzaakt door zyne vreesachtigheiden ichielyke te rugkeering. Daar op ver-toonde ik hem de gemelde aantekeningin het dagverhaal, waar op hy staroogde,en dezelve driemaal overlezen hebbende,veranderde hy aanstonds van besluytzonder eenige verdere tegenwerpingen temaken. Op den veertienden Septemberwas de hoogte 29. en z6. en ’s avondspeylden wy grond van 41. tot 46. vade-men. Op den vyftienden bevonden wyde hoogte op 2.9. en 57. en de diepte op36. vademen. Op den zestienden wasde hoogte 30. en 13., en de diepte 38.vademen. Op den zeventienden zynde2-ondag vonden wy geen hoogte, dediepte was 47. vademen. Op den ach-tenden konden wy in ’t stormachtigweeder de hoogte niet nemen, maar dediepte was 34. vademen. Op den negen-tienden was de hoogte 30. en 31. en dediepte ’s avonds 47. vademen. Op dentwintigsten van September was de boog-ie 3°. en 36., de diepte ’s avonds 78, endes nachts 70. vademen. Dezen morgendoodeden wy met een Worp-pyl eenenDolphyn of Zeebraastèm ;zyn kleur wasgeelachtig blaauw , en zyn lengte zes1 pannen, deslelfs vleefch was zeer lekkeren aangenaam aan onze zieke maagen.yP den een en twintigsten bereykten wycle hoogte van 31. en 30. minuuten,’twelfc volgen de gemeen- kaarten de' breedte is van ’t rotsachtig Eyland Mat-Juna , mde^Japanfche Oceaan gelegen,mar t welk hetzeevaarend volk van
Japan komende of daar heen gaande, uytzien als na eenen Hennes , genees Godt.
Wy zagen het twee uuren na dat wy dehoogte genomen hadden op negen oftien mylen weegs van ons af, leggendeN. O., waar uyt wy besloten, dat hetin der daad een weinig noordelyker enbyna op 32. graaden breedte legt. Eenweinig tyds voor den ondergang der zonscheen dezen Hernies , na wien wy zolang gewenscht hadden ontrent vyf my-len noordwaards van ons , zes uurendaar na, de maan zeer helder fchynende,en het Eyland een uure weegs aan ’tbakboord voor ons uytleggende , merk-ten wy dat het bestond uyt ontrent ze-ven ipitse,ruuwe, en barre roj:zen,nabyden anderen leggende , op de meesteplaatsen met den drek der vogelen be-vuylt, zo dat ze alleenlyk fchynen be-woont te worden door zee meeuwen,welke wy daar in groote menigte zagen.
Twee jaaren daar na , op onze te rugreys van Japan , zagen wy het zelfde.
Wy hadden ’t geluk van eenen anderenDolphyn te vangen, en in den avondwaren wy op 78. vademen,op een zand-aghtige modderige grond. Vroeg in denmorgenstond op den twee en twintigstenSeptember zagen wy Matjtma W. Z. W.ver van ons af leggen , zo dat wy ’t be-zwaarlyk konden onderseheiden. Ëenisentydt daar na ondekten wy een Chinecichejonk van Nankin , en kort daar na tweeandere, welke wy uyt hun maaksel af-namen ook Chineescn te zyn, alle vanJapan komende. Aan ons bakboord za-gen wy de Japan/che Eylanden Gotho , Eylandendoor huyfluyden bewoont, en voor ’t Gotho.middag wierd, quam in ons gezicht hethoog bergachtig land voor Nagasaki ,de lang gewenschte haavèn, welken wymet het ondergaan der zon zes of zevet»mylen weegs voor ons hadden, N. O.ten Noorden. Wy zeylden daar op aanmet een N. wester koelte en weinigezeylen, en ter middernacht op den drieen twintigsten van September, geraaktenwy aan den mond van de baay op vyftigvademen waters. Maar de gemelde mondvol klippen en Eylanden zynde, waarvan wy t’ eenemaal onkundig waren, enwelke men onmogelyk by nacht door-zeylen kan, zo krengden wy tot dat demorgenstond aanquam , wanneer wy43. vademen waters vonden op eenenzandigen grond,en naar de haaven stier-den. Maar fchielyk overvallen worden-de door stilte, zo konden wy niet vor-deren, en wy maakten derhalven onzen Aankomstaankomst bekent door vyf kanonfehoo-
ten, dewelke ín de Neerlandfche V°°' saki.
tung,