DE BESCHRYVING EN GESCHIEDENIS
doórsnufFelend Natuurkundige. Zy zynvan driederley slag; Het grootste soortword genoemt Kuma Sebi , {taf. io. fig. 6 .JÎ. B.) In gedaante en grootte komt hetover een met dat soort van vliegen, diemen by ons in Europa, gemeenlyk zietvliegen ontrent den avondstond. Dochdeze hebben geenc vleugelen. In de Len-te kruyp'en ze uyt den grond, (waar inZy den gantfchen winter hebben gele-gen) by nacht, en zy maken zich zel-ven met haáre seherpe gehoekte beenenvast aan de boomen, aan haáre takken,of bladen, of aan alles wat zy in hunneroute kunnen aanklampen. Weinig tydsdaar na barst' en fplyt haaren rug in delengte open, waar uyt eene andere vliegvoortkomt, den Tor niet ongelyk , diebinnen in den eersten ingestoten was,schoon veel grooter dan de kerker inwelke hy gehouden \vierd. Eenige uit-ren daar na vliegt deze tweede vlieg wegmet een brommend geluydt. Dit kleineaardige dier is beschreven geworden byGesnems onder den naam van Cicada. Debast waar in het lag openbarstende, enterzelver tyd destelss vier wieken uyt-iparrende, maakt het een heftig en luydgedruyfch, ’t welk men zegt dat onder-scheidentlyk kan gehoort worden eengcheele Engelsche myl van daar (iets datbyna ongeloofelyk is.) Bosschen en ber-gen zyn vol van 't geluydt dat deze klei-ne schepselen maken. Allengskens ver-dwynen ze in de Hondsdagen, en menzegt, dat ze weder in den grond kruy-pen, om weder eene nieuwe Métamorpho-sé of lichaams verandering te ondergaan,en om in denzelfden staat het volgendejaar weder te verschynen. Hoe ver ditmet de waarheid over een komt kan ikniet zeggen uyt gebrek van eige onder-vinding en aanmerking. De naam Se-mï of Sebi, welken zy draagen , wordontleent van haar musylc, ’t welk lang-saam en op een laage toon begint, danallengskens in rasheid en hoogheid toe-neemt , en weder redelyk laag eindigt.Dit geluydt dacht my niet ongelyk tezyn het geraas dat een knoopemakerswiel maakt in het omdraayen. Zy be-ginnen te zingen met het opgaan derZonne, en houden op ontrent den mid-d a cr. Het geene zy afleggen, word ge-nóemt Setni no Mukigara , en word be-waart tot geneesmiddelen, en operibaar-lyk verkocht in de winkels zo wel inJapan als Ín China. (zie tafel 9. fig- 6.C. D. E.) Een ander kdeinder soortword om haare kleinheid genoemt Ko-fiebi , of dc kleíne Sebi. (zie tafel 10. fig.
6 . F. G. H. I.) zy komen laater in hetjaar te voorfchvn byna op den zelfdentydt dat de andere verdwyhen. Dezezingen van den middag tot den onder-gang der Zon, eii blyven overig tot laatin den Herfst. Haar gezang is lang zohard en krachtig niet, dán dat van ’teerste soort, ' en word by 't gemeenevolk genoemt Tfuku Tfukuboo. . Het der-de soort verschilt niets van het tweede,noch in grootte noch in ffiaaksol of ge-daante , alleenlyk dat zy zingen van denmorgen tot den avond. De Wyfkensvan deze drie soorten zyn stom, en heb-ben haare borst geflooten. In alle ande-re opzichten zyn zy gelyk aan de Man-netjens (zie tafel 10. de 6 . fig. K. LI)
De Cantharides of Spaanfebe Vliesren zynvan dezelve kleur als onze Franfihe Vlie-gen, doch wat grooter en ronder, enzeer na zo groot als onze gemeene Euro-pische Torren. Hun gebruyk is in Japanten eenemaal onbekent. Een ander by-zonder soort van spaanfche vliegen wordgenoemt Famnio ; zy zyn by uytstekblaadertrekkende , en worden onder devergiftigen gerekent. Men vindze opde ryst aayren, en zy zyn lang, teer, erikleinder dan de spaanfche vliegert,blaauw of goudverwig met icharlake ofkarmosync vlakken, en streepen , waardoor zy zeer schoon schynen. (zie tafel.10. fig. 7.) Maar de schoonste vart degeheele stam der bloedeloose gediertens §en welke van wegen haare onvergelyke-lyke schoonheid door de Mevrouwenbewaart worden onder haare matigheden,is een zonderlinge en raare Naclit-vlieg,ontrent een vinger lang , tenger, rond-achtig van lichaam , met vier wieken,van welke 'er twee doorschynend en onderde andere twee verborgen zyn,dewelkeblinken, en gelyk als gepolyst cn op hetallerkeurigste opgepronkt zyn metblaauwe en goude streepen en vlakken.De volgende fabel is haaren oorsprongverschuldigt aan de onvergelykclyk^schoonheid van dit klein schepsel. Menzegt dat alle andere nacht-vlicgen op de-ze verliest zyn, cn dat deze om zich teontstaan van haare moeyelyke aanzoekin 1gen, haar snoodclyk gebieden ( ter be-proeving van haare standvastigheid) vuurte haaien. De verblinde liefhebbers ma-ken geen zwaarigheid de bevelen te ge-hoorzaamen, en vliegende na het naast-byzynde vuur of kaars, mist het nooitof zy branden zich zelf dood. Het wyf*je is op ver na zo fraay niet dan hetmannetje, maar graauw, afchverwig estgevlakt.
XI. HOOFD-