Buch 
De beschryving van Japan : behelsende een verhaal van den ouden en tegenwoordigen Staat en Regeering van dat Ryk, van deszelfs tempels, paleysen, kasteelen en andere gebouwen; van deszelfs metalen, mineralen, boomen, planten, dieren, vogelen en visschen. Van de Tydrekening, en Opvolging van de Geestelyke en Wereldlyke Keyzers. Van de oorfpronkelyke afstamming, Godsdiensten, gewoonten en handwerkselen der inboorlingen, en van hunnen koophandel met de Nederlanders en de Chineesen. Benevens eene beschryving van het Koningryk Siam / In 't Hoogduytsch beschreven door Engelbert Kæmpfer, ... ; in het Engelsch overgezet, door J.G. Scheuchzer ... ; Voorzien met kunstige kopere platen, onder het opzicht van den ridder Hans Sloane uytgegeven
Seite
352
JPEG-Download
 

DE BESCHRYVING EN GESCHIEDENIS

huys voor zich zdven te bouwen om ín’t zelve te woonen , en tegen over zynwinkel een Kapel j of kleine Tempel,kostelyk opgepronkt ter eeren en dank-baarheid aan den God, die dit geheytnaan hem geopenbaart had. In dezenTempel stelde hy het beeld van Jakufi,recht over eind staande op een verguldeParate Bloem ( de Nymphœa Palustrismaxima of Faba Mgyptïaca Prosperi Alpïnï)onder de helft van een groot stackehoorentje, over zyn hoofd uytgestrekt.Het hoofd was omringt met een kroonvan straalen, als een teken van zyn hey-ligheid : ín zyne rechterhand hield hyiets onbekends, en in de linkerhand eenScepter, ’t Geheele Beeld was sterk ver-guld. Als de Japoneesen voorbygaan, la-ten zy zelden na hunne plicht en eerbiedaan zyn verguld Beeld te toonen, som-mige met een diepe buyging, andere ineen nedrige gestalte en bloodshooids denTempel naderende, daar zy de Klokluyden of liever slaan , die voor denTempel hangt , en beyde hunne handendan tegen het voorhoofd houdende, doenZy hunne gebeden. Twee vrinden vandezen Man , tot Mimki woonende, het

voorschrift van dit Poeder gekregen heb-bende , begonnen den zelven handel,welke hun ras zo ryk maakte, en in staatstelde, dat zy yder op dezelve wyze eenKapel voor Jakufi bouwden. Ja zelf gingeen van hun noch verder, bouwendedaar en boven een kleyn huys dicht aande Kapel, in ’t welk hy een Priesteronderhoud, wiens werk is, den Tempelte bewaren, dezelve te reynigen, de lam-pen voor het Beeld aan te steeken, enandere diensten van dezen natuur te doen,uyt achting en ter eeren van het zelve.Mïnoki verlaten hebbende, verlooren wyras uyt het gezicht het Meyr van Oitz-,’t welk wy tot dien tyd toe aan onzelinkerhand hadden gezien , op verschei-dene doch kleyne wydtens, eenige heu-velen en laage gebergtens dicht aan eenvolgende, het zelve voor ons bedekken-de , onder welke was de vermaarde bergMikadde , of Mikame 'Janima, van welkereeds gespróken is , z'ynde omtrent eenhalve myl van den weg gelegen. Dewegen hier omtrent waren zeer bedor-ven en byna geheel weggefpoelt doorden memgvuldigen regen , om welkereden wy den nieuwen weg volgden,die om een berg aan onze rechterhandliep, en ons naar een half uur reyzensweder op de oude weg bracht. Kortdaar na, omtrent ten elf uuren ’s voor-middag» , quamen wy tot Iffibe , eengroot Dorp van omtrent vier honderd

buysen , zes mylert gelegen van Oitz-Hier aten wy in een deftige Herberg-Eertyds plachten wy te spyzen in de klei-ne Stad Minakutz , buyten Iffibe , maai' •onze Herberg daar afgebrand zynde, ver-hoor men nu dit Dorp. Na de inaaltydvervolgden wy onze reys tot aart DfutfiJanmm , een Dorp van omtrent driehon-derd huysen, gelegen aan den Voet vaneen berg van den zelfden naam, alwaarwy ten vyf uuren des namiddags aan-quamen,hebbende dezen dag in ’t geheelafgelegt twaalf Japanfche mylen. ' Dezennadenmiddag trokken wy door ver-schelde groote en kleine Dorpen, meestalle aan den anderen. Omtrent half wegvan Iffibe naar Dfutfi Janima legt de kleineStad van Minakudsi, dewelke behoort aanCutto Sadano Cmni, een van des KeyzersRaadsheercn van Staat van den tweedenrang. Deze bestaat uyt drie lange straa-ten , zeer ongeschikt loopende. Aan ’teene eind staat een laag Kasteel, of lieverPaleys Van den Heere van de plaats, heb-bende het zelve noch Wallen nochGrachten, schoon ’er verschelde Soldaa-ten aan de Poorten op schildwacht ston-den. Een gedeelte van deze Stad , datonlangs door de vlamme verteert is, legtnoch in de astche. Men maakt hier zeerichoone Hoeden, en Korfjens van aller-ley soort, van biêiën en van geipleete .riet. Wy ontmoeteden hier een grootdmenigte van menschen, mannen en vrou- » 1,rwen, de meeste te voet, en weynige tepaard , en ibmtyds twee of drie op eenbeest. Onder deze waren niet weynigeBeedelaars. Zy vraten alle Pelgrims»sommige gaande naar, en sommige weder-keerende van Isje , een vermaarde plaatsgelegen aan het Zuydeinde van de Pro-vintie van dien naam. Zy lieten niet naons lastig te vallen, gelyk het hunne ge->woonte is, om onze hulp en bystand ophunne beedevaart. Veele derzelver haddenden naam van de plaats waar heenen zygingen, of van welke zy als Pelgrimsweder quamen , als mede hunnen eygeflnaam, benevens den naam van de Pro-vincie en Plaats, daar zy woonden, ophunne hoeden geschreven, om te weetenwie zy zyn, in geval hen eenig toevalop den weg mocht overkomen. Degeene, die van|/yV wederkeeren hebbenhaaren Ofarrai of Astaatsdoos, onder denrand van haaren hoed , voor hun voor-hoofd gebonden ; aan de andere randbinden zy een bondeltje stroo , ín eenstuk papiers omwonden, om alleenty^te dienen tot een tegenwicht van d £lïOfarrai,

Op Zondag den vierden Maart