Van japa.n
konden wy doorwaaden, maar den twee-den is niet over te komen, dan met eenbyzonder slag van Booten, dewelke zyProvies noemen , en in deze zelf is deovertocht zeer gevaarlyk en moeyelyk.Zy hebben platte breede bodems, ge-maakt van dunne planken of deden, diein geval, dat de boot in ’t overVaaren opeen steen of ondiepte loopt , meegeven,zich buygen, en overheenflippen, Zoda-nige uytvinding wierd volstrekt verdichttot den overtocht van deze Rivieren, nietalleenlykom de (helheid van den stroom,maar yöornamentlyk van wegen haareongelyke ondiepte, en de vreestelykegroote steenen die zy medeneemen in ’tafstroomen uyt de Bergen , daar zy haa-ien oorsprong hebben. Wat aanbelangtonze, eige overtocht, wierden de Bootendie ons zouden overbrengen over dentweeden stroom , eerst op ’t strand gc-heyst , om ons en onze Bagagie in te. nemen , toen asgeschoven , wanneer dekracht van de Rivier aan de eene zydedezelve afdry vende, en de Schuytevoer-ders aan de andere zyde met alle machtroeyende, ons fchuyns overbrachten aande andere kant op het Land. Deze Ri-vier over zynde , namen wy versschePaarden , en na eene reys van anderhalfuur door verschelde Dorpen , of lieverlange Straaten voor ’t grootste gedeelteaan elkander vast, quamen wy omtrentten een uur ’s namiddags aan de Stadof ’t groot Dorp Joflyxara , en aten daar.Dit Dorp is het naaste aan den BergÏ^Bsrg ptulsi, of Fufy Jamma , ván alle, die wy’’ door te trekken hadden op onze reys naar’t Hof. De streek met myn Compas ne-mende , merkte ik dat hy lag vyf graadenvan ’t Noorden naar hét Oosten. Menstelt dat het in een rechte linie zes Japan-sche mylen is van Joflywara tot dezenBerg. Maar vermits de ongelykheid vanden weg , rekent men het zeven mylenreyzens tot een veld , dat aan desfelfsvoet legt, en zes andere mylen van daardoor de sneeuw op tot deft kruyn. Hy isongelooflyk hoog, niet ongelyk de piekvan Tencrif , schynende de bygelegeneBergen als zo veele laage Heuvels. Doordenzelven wisten wy hoe onzen reys tenemen, vermits hy van zeer ver gezienWord, en voor my in ’t byzonder hulphet my zeer veel^ in ’t opstellen en ver-beteren van de Kaart, welke ik voor-genomen had te maken van den weg.Hy is van eene kegelachtige gedaante,spits toeloopende van een breede voet enna allen schyn glad en estèn, zo dat hymet recht mag geschat worden voor ee-nen der schoonste Bergen, hoewel hy
V. B o è k XL Hoofdst. 5 k) j
andersins gantsch dor is, zo dat ’er nochgras noch planten op dezelve groeyen,en ’t grootste gedeelte van het par is be-dekt met sneeuw , dat waarlyk ín denZomertyd wel iets vermindert door dehitte der Zon, maar zelden ten eenetnaalsmelt , zodanig, dat de top geheel daar-van ontbloot is. Volgens ’t verhaal vanmenschen,die ’er boven óp zyn geweest,is ’er een groot diep hol of opening nabyden kruyn, welke in voorige tyden vuuren rook uytbráakte, tot dat eindelyk debovenste heuvel oprees, maar nu is hethol met water gevult. Deszelfs top by-na geduuriglyk met sneeuw zynde be-dekt en gestadiglyk by sterke wind ceni-ge vlokken aan alle kanten daar van af-schuy vende , gelykt hy als of hy gedektwas met een hoed van rook en dampen :
Want men moet weeten, dat het op dentop zelden stil is, om welke reden hetVolk denzelven opklimt uyt Godsdien-stige {oogmerken, om daar hun Moins ofGod der winden te aanbidden Driedagen zyn de menichen onderweg in ’topklimmen, doch zy zeggen, dat zy ; alsze willen, weder kunnen beneden zynin den tyd van drie urnen , door hulpvan riete of strooye sleeden , welke zyom hun midden vastbinden, cn dus inden Winter over den Sneeuw ,en in denZomer over het Zand neerglyden, zyndeden Berg, zo als men opgemerkt heeftby uytnemendheid glad en gelyk. DeJammabus of Bergpriestcrs zyn van dezeorde van Moins, en hun wacht of rond-woord is Fufy Jmmna , ’t welk zy menig-werf herhaaien in hunne redevoeringenen beedelaaryen. De Dichters kunnengeene woorden, noch de Schilders kleu-ren genoeg uytvinden , om dezen bergzo te verbeelden , zo als zy denken dathy verdiend. Na den eeten gingen wyweder voort, en na een half uur rydens,quamen wy tot Mattosjojro , een elendigDorp van omtrent driehonderd hutten,langs den weg verstrooyt, in een zandi-ge n grond, omtrent een halve myl uyt- . .gestrekt. De arme Kinderen van dit Lee^ielwy-Dorp quamen met hoopentoeloopennaar j e van jon',onze Paarden en Cangos , en verzochten gens.onze liefdegiften op een zeer koddige, enbelacchelyke wyze , twintig of dertigtreden vóór ons in het zand tuymelende.
Menigte van oortjens wierden onder hengeworpen , çîi ’t was pleyzierig om ttzien, hoe zy den een den anderen trok-ken en stieten , wie van haaf het geldzoude hebben. De Reyzigers weeten tévooren reeds , dat zy deze tydkortingzullen zien en ontmoeten, en tot dat ein-de voorzien zy zich tot Jofywara van eenZz % ker-: