Buch 
De beschryving van Japan : behelsende een verhaal van den ouden en tegenwoordigen Staat en Regeering van dat Ryk, van deszelfs tempels, paleysen, kasteelen en andere gebouwen; van deszelfs metalen, mineralen, boomen, planten, dieren, vogelen en visschen. Van de Tydrekening, en Opvolging van de Geestelyke en Wereldlyke Keyzers. Van de oorfpronkelyke afstamming, Godsdiensten, gewoonten en handwerkselen der inboorlingen, en van hunnen koophandel met de Nederlanders en de Chineesen. Benevens eene beschryving van het Koningryk Siam / In 't Hoogduytsch beschreven door Engelbert Kæmpfer, ... ; in het Engelsch overgezet, door J.G. Scheuchzer ... ; Voorzien met kunstige kopere platen, onder het opzicht van den ridder Hans Sloane uytgegeven
Seite
382
JPEG-Download
 

z8r DE BESCHRYVING EN GESCHIEDENIS

te houden ; en daar om gevraagt zyndegeworden, welk ik voor ’t beste hield ?Antwoorde ik , dat ik altyd oordeeldedat geen ’t beste te zyn,‘t welk het laatstwas uytgevonden, tot dat de ondervin-ding ons een beter leerde; ver der gevraagtzynde, welk het laatste was ? Antwoor-de ik een zekere vochtige geest welke devochten van ons Lichaam vloeybaar hou-den , en de Geesten verquikken kon. §Ditalgemeen antwoord was niet teneenemaalvoldoende, want ik wierd aanstonds ge-vraagt om hen den naam te, zeggen vandit uytmuntend middel, waar op ik,wetende , dat al wat van eenige achtingby de Japòneeíèn is, een langen en hoog-luydenden naam hebben moet, antwoor-de , dat het was het Sol volatile öleosumSylvii. Deze náám wierd van letter totletter achter de traalyen overgezegt, waar-om my bevolen wierd, dezelve verschel-de maaien te herhaalen of te herzeggen.De naaste vraag was, wie het uytgevon-den had, en waar het uytgevonden was?Ik antwoorde de Hoogleeraar Syhius inHolland, Daar op vraagden zy, of ik hetmaken kon ? Hier op luysterde my onzeRésident in ’t oor , dat ik zoude zeggenneen, maar ik antwoorde, ja, dat ik hetmaken konde, doch niet hier. Toen wierdgevraagt of het te bekomen was opBatavia ? En geantwoord hebbende, dathet daar was te krygen, verzocht deKeyzer dat het mét de naaste Schepenmocht worden overgezonden. De Key-zer die tot dien tyd toe onder de Mevrou-wen had gezeten, byna tegen ons over*doch zeer ver van ons af, quam nu na-der by , en zettede zich neer aan onzerechterhand achter de traalyen, zo nabyons als hem immers mogelyk was. Toenbeval hy, dat wy onzen Cappa of Man-tel, zynde ons plechtgewaad zouden af-leggen, en over eind staan, op dat hyons van boven tot beneden mocht be-zien; dan weder dat wy zouden gaan,dan stilstaan , dat wy elkander zoudengroeten, dansten, springen, den dronkaartfpeelcn , gebrooken stamerend Japanschlprecken, Hollandfch leezen, schilderen,zingen, onze Mantels om en af doen enzo voorts. Tervvyl wy des Keyzers be-velen op de beste wyzc die wy konden,gehoorzaamden, zong ik terwyl ik dans-te , te gelyk een Hoogduytsch Minne-Lied. Op deze manier , en met ontel-baare diergelyke andere ape spellen ,moesten wy ons zelven laten gebruy-ken tot vermaak van den Keyzer envan zyn Hofgezin. De Gezant even-wel is bevryd van deze en diergelykebevelen, want gelyk hy vertoont het

gezag van zyne Meesters, word 'er opkeenige omzichtigheid gedragen , dat ’erniets geschiede,dat het zelveverongelykeen benadeele. Behalven dat, toonde hyin zyn gelaat en gantsche gedrag zo veelernsthaftigheid , als genoeg was om deJaponeefen te overtuygen, dat hy geen-zins die Persoon was, die zich zodanigebelaCchelyke en kluchtige bevelen zoudehebben laten opdringen. Aldus tweeuuren hen vermaakt hebbende, hoewelonder ichyn van groote beleefdheid vanhaare kant , traden ’er eenige geschorcKnechts binnen , en zetteden een ydervan ons een klein tafeltje voor met J a-pansche Spyzen, en met een paar yvorestokjens , in plaats van Mesten en Vor-ken. Wy aten iets van ’t een of’t ander,en onze oude eerste Tolk, hoewel naau-welyks in staat om te gaan, wierd gelasthet overschot voor zich zelven weg tedragen. Daar op wierd ons bevolenonze Mantels weder om te hangen enons afscheid te nemen , ’t welk wy bly-moedig en zonder uytstel deeden , ma-kende daar mede een einde van dit twee-de gehoor. Wy wierden toen door detwee Gevolmachtigden te rug geleyd inde Vertrekkamer,alwaar wy ons afscheidOok van hen namen. ^

Het was nu reeds drie uuren des naar- < Be ^ emiddags, en wy hadden noch eenige be- Raadslidzoeken af te leggen by de Raadsheeren ren va»van Staat van den eersten en tweeden Staat,rang, gelyk ik ze opgetelt heb , onderden dag van den vyfentwintigsten Maart.Vervolgens verlieten wy op staande voetde Fonmar, in ’t verbygaan gegroed wor-dende door de Officieren van de grooteKeyzerlyke Wacht,en deeden onze ron-de te voet. Zynde de Geschenken alvo-rens door onze Klerken gebracht naar censyders huys, en om dat wy dezelve nietgezien hadden in onze gehooren, giste ik,dat zy werkelyk aangeboden waren aande Perfbonen, voor welke ze waren ge-schikt, Zy bestonden uyt eenige Chinee-sche,Bengaalfche en andere zyde stoffen,uyt eenige Linnens , zwarte Sergiens,eenige ellen van zwart Laken, uyt Gin-gans , Pelangs , en een jfles Wyn Tint.

Wy wierden over al met ongemeenegroote beleeftheid ontfangen door deHofmeesters en Geheymschryvers , enonthaalt op Thee, Tabak en Banket,zoveel als de korten tyd, dien wy hadden,ons toeliet te nemen. De Kamers, in wel-ke wy ter gehoor wierden toegelaten,

Waren achter de schutten en traalyen op-gepropt van toekykers, die ons gaaienzouden hebben genoodzaakt eenige Eu-ropische Costumen en plichtplegingen

aan