394 DE BESCHRYVING EN GESCHIEDENIS
zouden in steeken ; voor de kisten waseen Lessenaar. Twee wel opgevoedejonge Munnjken, die ons getoont had-den alles wat merkwaardigst was , datwy tot hier toe hadden gezien, geleyddenons van daar over een groot en afgezon-den vierkant pleyn naar eene andere staate-lyke Tempel, die op zware sterke pyla-ren, van anderhalve vadem hoog, ruftte.De Heerlykbeid van dezen Tempel, zoals ze zich aan het oog van buyten op-doed , bestond voornamentlyk in deschoonheid van desielfs geboogde daken,van welke ’er vier waren, doch elk bo-ven elkander, van welke het langste enook het grootste, naar alle kanten uyt-sprong, om de gallery die buyten rond-om den Tempel'loopt, te bedekken. Depaaien, boomen, en hoeken de vershei-de daken onderschragende, waren totvercieringe des Tempels geverwt, som-mige rood, andere geel. De vloer bin-nen in den Tempel was belegt met mat-ten, anders was de geheele Tempel leedig tot het dak toe. Deze wierd onder-schraagt door vyf ryen pylaren in yderry zes. Aan de rechterhand van de mid-del tempel was een groote leedige plaatsol vertrek, en zo ook een ander aan delinkerhandt. In deze laatste stonden ee-nige verseheide bedden opgesloten inzwarte verlakte doosen , of Kabinetten.Voor het groofsten dezer Beelden waseen gordyn geschoven, en voor her gor-dyn stond een rond spiegel, met eene an-dere Almoes-buich mettraalyeom de Al-moesten te ontfangen. Dezen Tempelmede beschouwt hebbende wierden wydoor onze leydsmannen gebracht naar eenander Gebouw, minder heerlyk in derdaad ten aanzien van de uytwendige vertooning, maar geenzins minder in netheiden keurlyke oppronki'ngen van binnen;het middel vertrek insgelyks een soort vaneen Tempel os Kapel zynde, aan deGodtvrucht toegeweydt, en vol van st s- Igóden en Beelden hunner Goden. Hierwierden wy onthaalt door zes jonge Mun-niken van het Klooster; den Oudtstendezer rekende ik dat omtrent zes en twin-tig en den jongsten niet boven de zestienjaaren was. Zy onthaalden ons op Sacki,Kampernoeljens, gerooste boonen, Koe-ken , jïtfms vruchten, Wortelen enKruyden. Na anderhalfuur namen wyons afscheid, en wierden door twee de-zer Monniken te rug geleydt naar de groo-te plaats, of wandeling, voor dit deftigKeyzerlyk Klooster , ’t welk gezegtword zeven en twintig Tempels te heb-ben binnen desl'elfs omtrek. Van daargingen wy naar een andere Tempel G7-
bon of bloem Tempel, genaamt, eenige Gibonduyzend treden van dit Klooster asgele- TemP e ’gen. Sommige van ons wierden der-waards gedragen in Norimons , andereverkoren dien weg te gaan, zynde de wegby uytnemendheid pleyzierig, door een’aangename Wildernis. Deze Gibon Tem-pel was omringt door dertig of veertigkleiner Tempels of Kapellen alle orden-telylc geschikt. Op verseheide plaatsenvan het pleyn voor de Tempels warenwinkels, en plaatsen voor het volk, omzich te oefenen met pylen te schieten.
Het pleyn was op behoorlyke wydtensbeplant met aangename boomen, en hetscheen als of dit alles voorbedachtelykaangelegt was tot verlustiging voor deJeugd. De Tempel zelf was een langimal gebouw. In’t midden vertrek, datdoor een gallery van de andere was afge-zonden, stond een groot Beeld, doorveele kleiner omringt, als mede doorveele andere optooyselen. Onder anderestond daar een groot verlakt Beeld vaneen jong vrouwspersoon. Dat was tuf-schen twee en drie vademen lang, metveele andere Afgoden, en beelden vanDuyvels, en jonge helden, en andere st-guuren rondom het zelve. Een Neerlandsschip, eenige Zabels en Zwaarden en an-dere grollen waren in dezelve plaats op-gehangen. Wy wierden van dezen Tem-pel eene halve myle verder begeleyd dooreen straat Zmonjafakki of Sjwonja/akki ge-noemt, ’t welk betekent de straat vanbeedelaars en koppelaars, naar den ver-maarden Tempel Kiomids. Het eerste |Ciofl 1 ^merkwaardige dat men zi et, wanneer men T ea ^naar dezen Tempel gaat, is een hoogespitsetooren, zevenverdiepingen hoog,welkers laagste fléchs eenige weinige trap-pen hooger was dan den grond , zyndeeen Kapel of kleine Tempel, in welkestonden een groot, en sommige kleinerbedden. Een weinig verder den bergopgaande staat de* Kiomids Tempel, aande eene zyde leunende tegen den berg,maar aan de andere kant onderlchraagtdoor pylaaren, van welke sommige acht eneen halve Ik'ms hoog zyn. Hier ontmoete-den wy eene groote menigte volks. In denTempel, die met trad yen afgesloten was,was niets dan een groot rond spiegel, tweearmbusschen, en sommige, Gum Gums, wel-ke deze, die eenig geld n dezelve wierpenüyt liefdaadigheid, d^or middel van eentouw, luyden. Niet ver van! den Tem-pel is een steene trap van vyfentacbrigtreden, afleydende naar eene' vermaardefonteyn, die uyt de rotz springt op dn 6onderscheidene plaatsen, en men zeg r *dat die van dat water uyt deze fontes 0
J m • -Ur *