Buch 
De beschryving van Japan : behelsende een verhaal van den ouden en tegenwoordigen Staat en Regeering van dat Ryk, van deszelfs tempels, paleysen, kasteelen en andere gebouwen; van deszelfs metalen, mineralen, boomen, planten, dieren, vogelen en visschen. Van de Tydrekening, en Opvolging van de Geestelyke en Wereldlyke Keyzers. Van de oorfpronkelyke afstamming, Godsdiensten, gewoonten en handwerkselen der inboorlingen, en van hunnen koophandel met de Nederlanders en de Chineesen. Benevens eene beschryving van het Koningryk Siam / In 't Hoogduytsch beschreven door Engelbert Kæmpfer, ... ; in het Engelsch overgezet, door J.G. Scheuchzer ... ; Voorzien met kunstige kopere platen, onder het opzicht van den ridder Hans Sloane uytgegeven
Seite
395
JPEG-Download
 

Jempel

tJ a 1 bods.

VAN JAPAN. V

drinkt, voorzichtig en wys wordt. Zeword genoemt Otewantakki. Het is eenzuyver klaar water, en zo ver als ik be-merken kon, verschilt het niets van dat inandere fonteynen tot Miaco.'V an dezen fon-teyn gíngen wy verder den berg langs,overeen door kunst gemaakte Terras , wandel-weg, en verscheide kleine Tempels of Ka-pellen verby gegaan hebbende , quamenwy aan een andere groote Tempel, byna e-ven eens van maaksel als de voorgaandenop dezelve wyze aan de eene kant onder-steunt door den berg , en aan de andere,door hooge pylaaren. Het uytzicht vandezen Tempel was zeer fraay en aange-naam, zynde de Tempel zeer hoog gele-gen Ik merkte op, dat de voornaamstebeelden binnen den Tempel, zaten, cn dehanden zaamenvouwden. Een afbeeldingvan deze Kiomids Tempel is te zien in de54 Tafel. Van hier wierden wy geleydtnaarden grootenTempel Daibods, welkeniet ver van de weg naar Fuffimi aflegt.Eer dat wy evenwel dezen Tempel gin-gen beschouwen, deeden wy aan een by-gelegen vaadse Herberg, of liever Hoer-huys, daar wy door den waard wierdenonthaalt, in welks vergelding wy hemvereerden een Cobang , zynde ten minstenviermaal meer, als ’t geen wy genoten,hem gekost had. De Daibods Tempel isgebouwt op eene verheventheid met vervan den weg (ziet de 55 Tafel; Hetpleyn voor den Tempel wierd omvangendoor een hartsteene muur, van welke desteenen ongemeen groot zyn , voorna-mentlyk die naar vooren dewelke nabytwee vademen in ’t vierkant zyn. Aande binnen kant van de muur was eenruyme wandelplaats of gallery, die naar dekant van ’t Hof loopt, doch met een dakis bedekt,'t welk ondersteunt wierd doortwee ryen pylaaren, omtrent drie vade-men hoog,en twee van elkanderen staan-den ; aan yder zyde van de Poort teldeik omtrent vyftig van deze pylaaren. Depoort was een gebouw op zich zelven,wel niet zeer groot, doch verciert metpylaaren , en fraayigheids halven bedektmet een dubbeld geboogd dak. Aanweerkanten van den ingang stond hetbeeld van een Held, in ’t zwart , byna

g eheel naakt, sleebs met een los stuk:ofs omhangen, met de gedaante van eenLeeuw, byna vier vademen hoog, dochanders vry wel geordonneert, en verhe-ven op een voetstuk van een vadems-hoogte. Yder dezer Beelden had zynebyzondere uytlegging. De Daibods Tem-pel zelf stond tegen over deze poort i nhet midden van ’t Hof. Het is wyd enbreedt,en hetluchugstegebouw,dat wy

. Boek XIII. Hoofdst. 3py

1 tot noch toe in Japan hadden gezien, enbedekt met een dubbeld, boogswyzeheerlyk dak, waar van de top vry hoo-ger uytsteekt, dan van eenig gebouw totMiaco. De Tempel wierd onderschraagtdoor zes en negentig pylaaren, of liever94, om dat ’er twee in het midden ont-braken. Daar waren veele doch engedeuren aan dezen Tempel, doch zereyk-ten tot aan het eerste dak. De Tempelvan binnen was ten eenemaal open onderhet tweede dak,’t welk ondersteunt werddoor eene verandering van paaien enboomen , verfcheidentlyk geschikt, entot meerder verciering rood geverwt.Het was hier zo donker, van wegen des-selfs ongemeene hoogte, en het weinigLicht dat daar in quam, dat wy dezelvenaauwlyks zien konden. De vloer wastegen gewoonte belegt met vierkantemarmere steenen ; ook was ’er van bin-nen niets anders te zien, dan een grootbeeld. De pylaaren waren uytnemendgroot, en ten minsten anderhalve Va-dem dik, ze waren rood geverwt gelykook was al het houtwerk in den Tem-pel. Het Beeld was ten eenemaal ver-guld, en ongelooflèlyk groot, in zover,dat ’er gemakkelyk drie matten kondenleggen op de palm van de hand. Hethad lange ooren, gekrulde haayren, eenKroon op het hoof, welke men kon ziendoor het venster over de eerste verdie-ping, een groote vlak, onverguld op hetVoorhoofd. De schouders waren naakt,de borst en het Lichaam bedekt met eenlos stuk laaken. De rechterhand had hetom hoog, en toonde de palm van de lin-kerhand , welke op den buyk ruste. Hetzat op de Indiaanfche manier met de bee-nen dwarfch over elkander op een Taratebloem, die ondersteunt wierd door eeneandere bloem, welkers bladen, cieraadshalven na boven op stonden, zynde diebeide omtrent twee vademen boven devloer verheven. Tegen den rug vandit groot Beeld, was een Eyrond foy enbeeldwerk , verguld en opgepronkt metverschelde kleiner beelden in menschely-ke gedaantens , zittende op Tarate bloe-men. Dit Eyrond dat vlak was, waszo groot, dat het vier pylaaren bedekte,de Afgod zelf was zo breed, dat hy metzyne schouders van den eenen pylaar aanden anderen reykte, schoon ze vyf vol-kome vademen van elkanderen stonden.De Tarate bloem , op welke de Afgodtzat, wierd omvangen dooreen achtkantedeur, en het was op deze eige plaats,daar de twee pylaren ontbraken. DezenTempel genoeg beschouwt hebbende,gingen wy uyt door een andere poort,Ddd z die