Qunnwon
Tempel.
396 DE BESCHRYVING
die maar een dak had, naar een pleyn aande eene zydc, daar ons wierd getoonteen Gum Gum van een ongemeene ge-vaarte , op zich zelf opgehangen in eenldein huys of honte hut. Ze was eenvolle span dik, byna zo hoog als eenBcnjos piek, en had eenentwintig voetenin den omtrek. Van hier gingen wynaar een andere Tempel, welke een zeerlang gebouw was na mate van desselfsbreette. In het midden van deze Tempelzat een groote Afgod, die zes en veertigarmen had ; om hem heen stonden zestienHelden meer dan levens grootte, in hetzwart. Een weinig verder stonden aanyder zyde in twee ryen vergulde Afgo-den , byna van dezelve gedaante , ydermet omtren twintig Armen. De afgelegen-ste van deze beelden, die ’t naaste by hetgrootste stonden, hadden dunne langeschaapherders staven in hunne handen,andere eenige tuyhjens of kroontjens van jrooiën, en weer sommige andere werk-tuygen en oppronkingen. Boven ’t Hoofddat gekroont was met een ronde Cirkelvan goede straalen, waren zeven andereAfgoden geplaatst , van welke de mid-denste ook de kleinste was, doch allehadden zy haaven borst behangen enver-ciert met verschelde oppronkingen. Be-halven deze waren ’er tien of twaalf ryenvan andere beelden Ie en grootte, staan-de zo dicht aan elkander als immermeermogelyk was, en achter een op zodani-gen wyze, dat de voorste altyd een wei-nig laager gestelt waren, om de achterstete konnen zien. Zy zeggen dat het ge-tal der beelden in dezen Tempel in ’t ge-heel bedraagt 33333 , waai' van ze ookword genoemt San man Sunfin Sanbiak , SanSiu , Sant ai , dat is , de Tempel vanH3333, Beelden, (ziet de 36 Tafel.) De-zen Tempel ook gezien hebbende, stap-ten wy weder in onze Nor'mons en Can-gos , en wierden langs denzelven wegge-dragen tot aan Fnsimi zynde omtrent drieuuren van daar. Omtrent drie vierdemyls van den Tempel Daibods , naar debergkant ter linkerzyde was een andereTempel, alwaar het scheen, dat zy haarBloem-feest vierden,want wy zagen me-nigte van kinderen derwaards gaan, ge-kleed in witte en gekleurde Câà , ver-ciert met bloemen, en bloemtakken inde handen hebbende. Andere volgdenhen , insgelyks gekleed in witte Catabers ,zingende en roepende JaJJai, Jajsaja. Vandaar tot aan Fnsimi is een aan een gescha-kelde ry van straaten en huyicn. Wynamen daar ter plaats ons Avondmaal,en na den eeten stapten wy in de booten,om de Rivier af te zakken. Wy vor-
EN GESCHIEDENIS.
derden zo wel, dat wy kort na mid-nacht naby die Stad quamen, alwaargrooter gevaar is, van wegen de menigtevan bruggen, en dies waren wy genoot-íàakt te bly ven leggen tot den dag door-brak. , er .
Op den negentienden April voeren wy kon isttotde Stad in, eer het noch volkome dag ofr cca 'was, en weinig tyds daar na traden wyaan land niet ver van onze Herberg. Hoe-wel wy met veel moeyte verl of gekregenhadden haare manier van het koper tezuyveren te zien, als ook het dorp Te-noizi , of Tcnosi , zynde de voornaamsteplaats in het Ryk van Sacki te brouwen,en de Keyzerlyke Stad Sakkai. , dewelkeomtrent vier mylen van Ofacca legt op de-zelve kust, zo waren wy echter door dekribligheid, en quaadaardig van de Op-per Officieren van onsen rreyn genoot-zaalct tot Osa ca te bly ven, en zy wildenhebben, dat wy op staande voet onzereys te Land zouden vooitzerten naarFyonso. Niettemin vertoefden wy totden een en twintigsten, en toen zelf nochonwillig zynde, om te Land naar Fyongote reyzen, namen wy twee slechte opefchuyten , en bereykten de haave vanFyongo voor het ondergaan derZon, in om-trent drie uuren tyds. Zy wilden niettoestaan , dat wy tot Fyongo aan Landstapten , dies gmgen wy aanstonds zon-der Eeten naar ons bed , om dat wy ’s mid-dags zeer laat hadden gegeeten. Terwylwy naar Fyongo voeren, ontmoeteden wyden Prins van Sutzima met omtrent vyfof zes plyzier Schuytjens, onder welkeeen geverwt, gesneden en verguld was,en een soort van throon op het dekhad.
Op den tweq en twintigsten wierdenwy door de tegen winden in de haavenvan Fyongo opgehouden, en door de een-zinnigheid van onzen Bugjo , of Bevel-hebber aan ’t boord van onze bark. Som-mige alleenlyk der Bcnjos en de eersteTolk verkreegen verlof om aan Land tegaan, om zich zelven, hoewel onbekent ,tc verlustigen, zonder de piek en teke-nen van hun gezag , en Zonder eenigeknechts by zich.
Den drie en twintigsten moesten wyom dezelve redenen in de haaven van Fy-ongo blyven. Dezen avond zeylde ingrooten haast en spoedt verby de Prinsvan 7 fukufin of Facatta , ’t welk de plaatsis, daar hy zyn Hof houdt, met omtrentvyftig zo groote, als kleine vaartuygen.
Le wind hem dienende, hadden zy allede Zeylen bygezet, en haare vlaggen la-ten waayen, zynde die van Batavia nietongelyk, blaauw en wit.
tfet