Buch 
De beschryving van Japan : behelsende een verhaal van den ouden en tegenwoordigen Staat en Regeering van dat Ryk, van deszelfs tempels, paleysen, kasteelen en andere gebouwen; van deszelfs metalen, mineralen, boomen, planten, dieren, vogelen en visschen. Van de Tydrekening, en Opvolging van de Geestelyke en Wereldlyke Keyzers. Van de oorfpronkelyke afstamming, Godsdiensten, gewoonten en handwerkselen der inboorlingen, en van hunnen koophandel met de Nederlanders en de Chineesen. Benevens eene beschryving van het Koningryk Siam / In 't Hoogduytsch beschreven door Engelbert Kæmpfer, ... ; in het Engelsch overgezet, door J.G. Scheuchzer ... ; Voorzien met kunstige kopere platen, onder het opzicht van den ridder Hans Sloane uytgegeven
Seite
407
JPEG-Download
 

. \

VAN JAPAN. V. Boek. XIV. Hooedst. 407

XIV. HOOFDSTUK.

Onze tweede Reys naar het Hof.

^ ze ^ wee ^ e reys naar ^ hof‘bcgon-101 op onze nen wy op den tweede Maart 1692,tweede wanneer wy Defima verlieten , '5 mor-^ysuaar gens ten acht uuren. Sajjamorifan firn,of - een Joriki ging met ons als Hoofdbevel-hebber, en de Dosen Simadas keirnon alstweede. Zy wierden verzelt door tweeStadsbodens van Nagasaki door Sadaje alseerste en dan noch daar eene TweedeTolk. Onze Tolken en vrienden vanNagasaki vereerden ons met hun gesel-schap buyten de stad, tot aan een Tem-pel Tensi , gelegen aan de oost zyde vande Stad van Sakarababa, bediend worden-de door Jammabos , alwaar wy door henbeleefdelyk wierden onthaalt. Het wasreeds tien uuren eer wy dezen Tempelverlieten om onze reys te vervolgen. W ywierden wegens de ongelyke en bergach-tige wegen gedragen in Cengos tot Fooge ,den top van een berg van dien naam, vanwaar wy quamen aan het dorp Fimi al-waar digt by legt een groot dorp Aba,door visichers bewoont. Te Fimï namenwy paarden, en quamen van daar aanhet dorp J agami , alwaar wy aten, enweder door eenige onzer vrienden ont-haalt wierden, die ons tot daar toe wil- Iden uytgeley doen, op Soccana. en Sacki . !Na den eeten namen zy van ons afscheid, Ìzynde niet weinig verwondert, dat wy, jtegens gewoonte, hen hunne beleefthe- ;den niet weder vergolden. Hunne zuureen stuurfche gebaarden weinig achtendevervolgden wy blymoediglyk onzen weg, !en quamen door het dorp Koga aan eenander //i/ayagenoemt, na eerst drie brug-gen te hebben overgereeden. Niet vervan Ifafaja zagen wy, niet zonder ver-wondering de zyde van een berg, zoveroverhangende, dat men t’elkens vreefenmoest, dat yder ogenblik de steenen losbreeken en neer rollen zouden. Het waszeven uuren des avonds, toen wy totIfafaja quamen, alwaar wy zeer weinigtyds bleeven, een weinig eetende, enaanstonds daar na omtrent ten acht uurenaan boord giggen van dríe barken, be -hoerende aan den Prins van Fifen , diedaar gereed lagen om ons te ontfàngen ,benevens een andere tot overvoering vanonze bagagie, en met een boot om van

het eene schip aan het andere te vaareri.Wy vorderden het meeste den weg metroeyen tot aan het dorp Takafakki , al-waar wy voor middernacht aanquamen,en het anker uytwierpen om te wachtenen te zien of de wind ons wilde dienen;want was ze ons tegen geweest, zoudenwy genoodzaakt zyn geworden daaraan Land te gaan , en onze reys terLand te vevolgen. De Golf word dooi-de Nederlanders genoemt de Bocht vanArima en is dezelve, die voor den opstandder Christenen in deze gedeeltens woo-nende, en voor den vreeslèlyken Oorlogtegen hen omtrent honderd jaaren gele-den , zo vermaard is geworden in de Ja-paníche Historien. Omtrent Takafakki is’tzeer ondiep, om welke reden de schepen,en schuyten daar ten anker leggende, nahet gety moeten wachten, om van deondieptens af te raaken, ’t welk wy ver-volgens deeden, en het zeyl bygezet heb-bende, bereyleren wyOp den derde» van Lentemaand,’s morgens vroeg den mond van de rivierJanaga'usa, daar zy haar ontlast in de golfvan Arima , omtrent drie vierde van eenemyl, mede rekenende destèlfsdraayingenen bochten van de brag en poort van hetKasteel, welkers tooien zich zeer fraayeen vierde myl, van hier vertoont. Wykonden de Heeren, die gezonden warenom ons over deze golf te begeleyden,noch ook de bootsgezellen, overreeden,om iets van ons in vergelding aan te ne-men voor hare grootebeleefcheid en moey-te, hoewel zy ons daar en boven’s mor-gens noch redelyk wel onthaalt haddenop Japanfche fpys en Sacki. Zy ontschul-digden zich, met te zeggen,dat zy uyt-drukkelyke bevelen hadden van den Stad-houder des Prinilèn van Fifen , om nietsaan te nemen : Deze Stadhouder namin afwezendheid van den Prins, die nóchniet te rug gekomen was van Jedo , deregeering van het land waar. Aan demond van de rivier Janagavea vonden wyeenSpeelschuytje vaardig om ons naar diestad te brengen. Janagavia heest nietsmerkwaardigs, dan een Kasteel en eentooren,de Stad zelve alleen bestaande uytweinige ongeregelde straaten meest door

Vaarenover deGolf vanSimabara.

Bel'diry-ving vandeze Golf.

Rivier

Janagaw*.

De SadtJanagaw»,