Buch 
De beschryving van Japan : behelsende een verhaal van den ouden en tegenwoordigen Staat en Regeering van dat Ryk, van deszelfs tempels, paleysen, kasteelen en andere gebouwen; van deszelfs metalen, mineralen, boomen, planten, dieren, vogelen en visschen. Van de Tydrekening, en Opvolging van de Geestelyke en Wereldlyke Keyzers. Van de oorfpronkelyke afstamming, Godsdiensten, gewoonten en handwerkselen der inboorlingen, en van hunnen koophandel met de Nederlanders en de Chineesen. Benevens eene beschryving van het Koningryk Siam / In 't Hoogduytsch beschreven door Engelbert Kæmpfer, ... ; in het Engelsch overgezet, door J.G. Scheuchzer ... ; Voorzien met kunstige kopere platen, onder het opzicht van den ridder Hans Sloane uytgegeven
Seite
414
JPEG-Download
 

414 de beschryving en geschiedenis

kmvara, Mot jenu, en Matzno, Omura , totaan de Stad 'Tfutfijmma , alwaar wy ’sa-vonds ten zes uuren aanquamen en diennacht bleven. Te Moyenu verkopen zyeen soort van goed, ’t welk zy Omekasnoemen, het gelykt zeer na kley, is re-delyk hard in ’t aanraken, en ruyktvol-komentlyk als de dunne koeken, die ge-maakt worden van bloem en honing.

Op den twee en twintigsten Maart tee-gen wy tydig des morgens op het padt,om ons in Cangos te laten dragen over, de bergen van Sakanofla. Het ergste ofslimste dezer bergen overzynde, namenwy verflche paarden, en dooreenepiey-zierige aangename Valley rydende, qua-men wy aan de Stad Sekïdfifi alwaar debeste Bambous matten gemaakt worden 1Op deze plaats zyn verse heide statelykeTempels en schooneherbergen,doch hetschynt, dat daar weinig zorg gedragenword voor de opvoeding der Jeugd. Se-kid/tso, daar wy aten , bestaat uyt eenestraat een halve myl lang. Na den ee-ten reeden wy verder voort en quamenaan de volgende plaatsen, eerstelyk op denweg tot Ife , toen aan de rivier Sekigava ,van hier aan de dorpen Ootzbara , No/tri,Nomura , de stad Kamevi, of Camme jjani-ma , de voorstad van Natijamatz het dorpSïmmatz , de ope burgten Sioono en Ifija-kus , de dorpen Odani , Kodani, Simitz-daki , Tfumatztikimura, alwaar een ichoo-ne Tempel is. Umenegaiva , Qngojomura,Oywake , Tornari, Tfmangamura, Akafort ,en Fammada, en eindelyk des avonds inonze herberg tot Jokaitz. In deze plaatshadden wy een ander staaltje beide vande goede genegentheid, en welgemaniert-heid van onzen eersten Tolk , die over-luydt riep tegen de Is je pelgrims dat zyzich zelven niet besmetten zouden nochook haare heylige onderneming, door onsonreyne persoonen te veel te naderen.

Op den dríe en twintigsten > met hetaanbreeken van den dag, reeden wy we-der voort , en quamen omtrent ten ne-gen uuren te j Quano, door verscheldeplaatsen en dorpen, .in de kaart gemeldreyzende. De zeer sterke wind, en ge-durig aanhoudende zwaare regen maak-ten het ons onmogelyk om onzen reystewater of te Land voort te zetten, wes-halven wy dien dag en den volgendennacht te Quano bleven , waar in Mat-zandatro Jetsjuno Camt zyn wooning houdt.

De wind zeer gunstig waayende opden vier en twintigsten, namen wy driebooten om ons over te voeren van Qua-no tot Mia , alwaar wy fléchs zeer kortbleven , en om weder in te haaien, ’tgeen wy den vorigen dag hadden verlo-

ren , reeden wy aanstonds na den Eetenuyt, en quamen in den avondstond aande stad Okafakki, alwaar wy ons avondEeten namen,en aanstonds onzereysver-volgden tot Akafakka, alwaar wy s’nachtsten Elf uuren aanquamen. De vermoeid-heden van dezen dag, inzonderheid vanden tocht van Okafakki naar Akafakkahadden onze maagen zo geprikkelt, datwy oordeelden, dat zy noch wel eenseen avondmaal konden verteeren , hetwelk wy ook vervolgens namen.

Ten zes uuren ’s morgens op den vyfen twintigsten reeden wy uyt Akafakka.

Toen wy tot Array quamen , zond onsde Bevelvoerder over de Keyzerlykewacht alleenlyk, volgens ’t gebruyk,een geschenk van sommige wortelen enliet zich ontschuldigen,dat hy geenvischkon zenden, om dat het op dien dag eender rouwdagen was, geweydt ter gedag-tenis van den laatst overleden Keyzer, opwelken het is verboden iets tesdooden ofte eeten het geen leven ontfangen heeft.

Wy bleven te Array niet boven een 'vierde uurs, en de wind gunstig zynde,stapten wy in booten om die golf overte vaaren, en quamen s’avonds tot Fam-mamatz.

Op den zes en twintigsten van Lente-maand , reeden wy uyt ten zes uuren ’smorgens, aten te Fukuroi ,cn vervolgdenna den Eeten onze reys een wyl tyds tepaard, toen in Cangos tot aan Simada ,alwaar wy aanquamen in den maaneichyn,ten zeven uuren ’s avonds , hebbendejuyst een uur te voren gelukkelyk gepas-leert de groote rivier Ojingava, en m de-ze dag-reys drie andere rivieren.

Op den zeven en twintigsten reeden wyuyt van Simada , en quamen te paard totOkake, en van daar in Cangos tot Mariko,alwaar wy aten, van hier door Ftsju totfeferi , daar wy dien nacht sliepen.

Op den acht en twintigsten reeden wyuyt voor den dag, aten te Jo/ywara ensliepen te MiJJtma.

Vroeg ’s morgens op den negen entwintigsten Maart gingen wy weder opreys in Cangos, in zeer slecht weder, enquade wegen, en quamen tot Fakone. Pâonc.Deze plaats is zo dampig en ongezond,dat vreemdelingen daar niet woonenkunnen zonder groote benadeeling aanhaare gezondheid. Wy waren nu gelykà opgehangen in het midden der wol-ken, de lucht was zeer donker en zwaar,en geen hoop daar zynde van beter we-der, waren wy genoodzaakt onze reys naden Eeten te vervolgen, en te Odovtarctte vernachten.

Op den dertigsten gingen wy uyt met

rede-