HISTORIE VAN JAPAN.
kende, dat hy zyne gelofte overtredenhad, besloot hy een oprecht berouw tetöonen, en voor eerst, op dat dicrgely*ken geval hem naderhand niet wedermocht overkomen, sneed hy af beide zy-ne oogleden als de werktuygen en bediennaars van zyne misdaad, en wierp ze opden grond. Den volgenden dag weder -keerende op die plaats, daar hy dit rechthad uytgevoert, merkte hy door eenewonderbare verandering, dat yder oog-lidt een heester was geworden , en diezelve , welke nu Thee word genoemt,welkers krachten en gebruyk tot dien tydalzo onbekent waren aan de waereld alsde plant zelf. Darma van de bladerendezes struyks eetende , ( het zy verfch,en groen, dan in water gekookt is onbe-kends) bevond met verbaazing dat zynHart vervult wierd met ongemeenevreugde en vrolykheid, en zyn ziel aan-gedaan met nieuwe sterkte en kracht,omzyne Goddelyke bespiegelingen te achter-volgen, Deze zeldíàame uytkomst, ende uytmuntende krachten van de blade-ren van de Thee, ontdekte hy ylingsaande groote schaaren zyner Leerlingen,mitsgaders ook de manier om ze te ge-bruyken. Op deze wyze was het, nahet voorgeven der Japoneefen dat dezezonderlinge plant, dewelke van, wegenshaare groote krachten nooit genoeg Tangepreièn worden, het eerst in ’t gebruykraakte. En hier van komt het ook, datzedert dien tyd tot den huydigen dag,zenog geen vast merkteken heeft in de taalder geleerden, en dat zommige het dien-stig geoordeelt hebben, her uyt te druk-ken door de oogleden van Darma. Deschildery van dezen doorluchtigen Hey-lig, die in een hooge achting gehoudenword onder deHeydensche Naden in de-ze Oosterfche gedeeltens der waereld, meteen riedt onder zyne voeten, op welkmen zegt dat hy zeen en rivieren overge-Y reyst heeft, ( Ziet men in de 39 slaat ).
^fvuiljng § z. ík heb voor af laten gaan eenv an kort verhaal van deze plant, alleen om?. ru ydkun- den Lezer eenig begrip van dezelve tes c 'f be - doen hebben. Ik gaa nu over om daaryvin 8- by te voegen eenige andere noch over-blyvende byzonderheden om de kruyd-kundige Befchryving te vervullen. Destam schynt somtydsaan het benedeneindna de grond zaamgestelt uyt meer takken,dan ze waarlyk is ; want in een huyskenverschelde Zaaden by een besloten zynde,gebeurt het dikwils, dat twee, drie, ofmeer heesters op een plaats gelyk opgroe-yen zo dicht aan een, dat ymand zichlichtelyk kan vergillen, indien hy hiervan onkundig of niet naauw oplettende
44 *
; is. Daar heneven moet men opmerken ,dat wanneer de oude, en afgedrageneheesters onder aan de stam worden afge-fneden, gefyk gemeenlyk gedaan word,als ze eenige jaaren oudt zyn, dat uyt deoverbly vende stam nieuwe takken en'tel-gen uytfpruyten, dikker en menigvuldigger dan te vooren, en alle door den zel-ven wortel gevoedt worden. De jongescheuten, als ze het eerste jaar opkomen,het zy uyt het zaadt, of uyt de stam, hádat ze aigefneden is, zyn altyd minderin getal, maar maliTer en grooter, dandie daar na komen. (Tafel 38. fig. 3.)na verloop van tyd worden zy getakt.De schors is vast, zit dicht aan het hout.Ze is bedekt met een zeer dunne huyd,die zomtyds van zelfs los gaat, als deschors droog word. Deze huyd afgeno-men zynde, vertoont zich de bast,groen-achtig van koleur, byna even eens vanreuk als de bladeren van den Haièlaar,alleen wat onaangenamer en aanstootely-ker, en van eene bittere , walgachtige,en zaamentrekkende smaak. Het hout ishard, zaamgestelt uyt sterke dikke veze-len van een groenachtige koleur, na denwitten hellende en van een zeer ergerlykereuk, wanneer het groen is. De takkenen telgen zyn veel in getal, zonder eeni-ge order groeyende, teer, van verschei-de groottens , dog door den bant kort,zonder zodanige x-ingen, die in boomenen heesters merktekenen zyn van ’t jaar-lyks schot en groey, zeer dicht bezet metenkele bladeren, doch mede ongeschiktzonder orde. Tuflchen de bladen en desteng komt voort een kleineteerebot,aankorte, vette, groene steeltjens, rondenglad aan den rug, maar hol en wat in-gedrukt , met de uytterste eindens achterover gekrult: Zy zyn aan weerkantenglad, van een leelyke donker groene ko-leur, welke op den rug iets lichter is,alwaar de ribbens of zenuwen redelykhoog opstaande, zo veele hollen of groe-ven laten aan de andere kant, en gekar-telt, zynde de kartels , infnyding , 0 ftanden een weinig gebogen, hard, stomp,en dicht by een, doch van verfcheidegroottens. In ’t midden hebben zy eenzeer groote merkelyke rib, waar tegenover komt aan de andere kant een diepegroef : Deze ipreydt zich uyt aan yderkant in vyf,zes, of ze ven dwarsleherib-bens, van verfcheide lengte, neerwaardsbuygende na de randen van de bladen.Tusschen de dwarslche ribben loopenverfcheide kleiner aderen. Wanneer debladen verfch zyn, hebben ze geen deminste reuk, en zyn in ver na zo onaan-genaam niet van smaak als de fchorfe* Kick * ynd ’