HISTORIE VAN JAPAN.
ze boom wórd voortgequeekt tot de pa-pier makery op heuvels en bergen. Dejonge of twee voets takjens worden af-gesneden en in den grond gestoken op maa-tige wydtens van elkanderen omtrent detiende maand, welke ras wortelen, en hetgeene boven de grond uytkomt ras ver-drogende , brengen ze voort veele jongeschoone scheuten, die de bequaamste zynom te snyden tot het gebruyk tegen het
457
uyteinde vanhetjaar, wanneeer Ze om-trent anderhalve vadem lang zyn, en om-trent zo dik als den arm van een middei-maatig mensch. Daar is ook een wildsoort van Kaadfi of papier-boom, groe-yende in ’t wild op onbebouwde plaat-sen , maar is schaars, en niet zeer bequaarntot de papiermaking , en derhalve wordze noit gebruykt.
KAADSÍ KADSIRA, ET KAGO KADSIRA
XL. plaatr- fig.
Papyrus procumbens laBescens folio longo lanccato , cortks chartaceo,
DE VALSCHE PAPIER BOOM.
D Eze struyk heeft een dikke,enkele,lange, geelachtige witte rechte har-de wortel bekleedt met een vette, glad-de , vleesachtige , zoetachtige schorszemet rechte vezelen doofweeven. De tak-ken zyn menigvuldig , kruypende, re-delyk lang , enkeld, bloot uytgestrektenbuygzaam, met een zeer groot pit enweinig hout. Zeer dunne slechte bruy-ne, en na de eindens hairachtige telgenkomen uyt de takken, aan welke de bla-deren beurt om beurt staan, een _duymbreed van elkander, iets meer of min,staande aan zeer kleine dunne steeltjens,van maaksel niet ongelyk het punt vaneen JL/ancy of spies, groeyende van eennaauw begintzel breeder, en eindigende
meen, lang, eng, en scherpe punt. Zyzyn van verscheidene en onzekere groot-ten?, zynde de onderste ibmtyds een spanlang en twee duym breedt, daar de bo-venste naauwelyks een vierde deel zogroot zyn. Zy gelyken wel de bladerenvan de oprechte papierboom in stoslè,koleur, en oppervlakte, en zyn diep engelykelyk getant, met dunne ribbens opden rug, welker grootste van het onder-ste van het blad naar het spitz toeloopeiv-de, het zelve in twee Leien scheid, enveele dwarssche ribbens uytzend, diewederom door kleiner aderen wordenoverdwarscht. Ik kan de bloemen envruchten niet beschryven, om dat ik de-zelve niet gezien heb.
O R E N I.
Alcea ratlice vìscofa , flore Epbemero , mugno, punkeo (Tab. XLI.)
U Yt een witte, smeerige , vleeschigewortel, met veele vezelen, en volvan een lymachtig zap, klaar gelyk Cry-stal, spi'uyt een stam van omtrent eenvadem hoog, doorgaans enkeld en jaar-îyks cens (zo ’t gebeurt dat ze meer daneen jaar staat, komen de jonge scheutenvoort aan de stoelen van de bladeren) meteen brosachtig wit pit, vol van een lym-achtig zap. Op ongeregelde tusschen-wydtens is de stam bezet met bladeren,staande aan gekantte, licht purpere, ;doorgaans holle, lyvige en zappigest ec k-jens van vier of vyf duym lang. Debladeren zyn niet ongelyk de bladeren
van de Alcea Mátthioli , rondachtig, om-trent een span over de middenstreek,bestaande uyt zeven Lobi , gedeelt doordiepe, doch ongelyke groeven, zynde detanden groot, weinig, en somtyds vanelkander afstaande. De bladeren zynzaamgestelt uyt een vleesschige stosle,vol zap, ruyg in ’t gezicht, hard in ’tgevoel, van een donker groene koleur,hebbende sterke zenuwen, loopende langshet midden van yder insnyding naar deeindens ,en veele styve, brosse dwarsscheribbens, achterwaards gebogen naar denrand van het blad. De Bloemen staanaan de eindens van de stam en de takjensMm m aan