â AANHANGSEL' VAN DE
Koophan-
del.
Weten-
schappen.
ben in de zamenííelling eii tnaking vanhun vernisch nocli ook niet om hetzelveop te leggen. Wat aangaat de Siamtten ,ál schoon hun Land vol verniich hoo-rnen is, die zyn zo zeer overgegeven toteen luy , en leedig leven , dat van henniets is te verwachten. Het zal niet qua-lyk voegen hier aan te merken, dat alledeze verschelde , en veele andere hand-werkselen en voortbrengselen van dekunst , het zy ze volstrektelyk nodig zynren keven, os het zy ze alleenlyk dienentot pracht, overdaad en pronk, niet evengelyk goed en konstig gemaakt wordenin alle de Provintien van het Ryk, nochdat zy over al tot den zei ven prys wor-den gekocht. Hier om is het het qualykte geloöven, hoe groote Koophandel daargedreven word tuflehen de verscheldeProvintien en gedeeltens van het Ryk.Hoe bezig en vlyrig de Kooplieden overál zyn, hoe vol haare havenen van 'sche-pen , hoe veele ryke en bloeyende koop-steden hier en daar door 't gantiche Ryk !Daar zyn zo veele menlchen langs dezeekusten en naby de havens, zulken ge-druysch van riemen en zevlen, zulkemenigten van schepen en schuyten, zotot gebruyk als tot pleyzier, dat men zichverbeelden zoude, dat de geheele natie zichdaar neergeslagen had, en alle de binnen-landsche deelen ten eenemaal verlaten enleedig. Maar behalven dit alles, heefthet maaksel van haare schepen iets zeerzonderlings in, want onder andere we-zentlyke verschilligheden moeten ze uytkrachte van de wetten van het Land, hetsteeven ■ ten eenemaal openlaten ( Zie de2.1 plaat ), en dit ten einde om het buy-ten hunne macht te stellen, om van deJapansche kusten te kunnen ontvlieden,want zo zy zich te ver op de volle zeeWaagden, zouden de schepen water schep-pen , en zy ongetwyffelt en onvermyde-lyk verdrinken.
Indien wy nu voortgaan inde Japonee-sen te beschouwen omtrent wetenschap-pen, en vercieringen en opprorikingenvan ons verstand en Geest, zal mislehiende Wysgeerte gebrekkelyk bevondenWorden. De Japorteescn zyn in der daadzulke groote vyanden niet van deze we-tenschap, dat zy de geene zouden uyt hetLand bannen,die dezelve oestènen, maarzy oordeelen dat het eenc tydkorting is,dienstig in de kloosters, daar deMunni-ken, een luy leven leidende, weinig an-ders te doen hebben, dan hun hoofdendaar mede te breeken. Dit ziet evenwel't meest op het bespiegelend gedeelte,want omtrent het zedelylte houden zy zein groote achting, zynde van eert hoo-
ges en goddelyke afkomst. Zy beken-nen dat zy dit verschuldigt zyn aan dienweergaaloosen Philofoof Kou of Kooji, ofgelyk wy Europeaanen hem noemenConfutins , en is omtrent dezelfde, dewel-ke Sucrâtes, die naby de honderd jaarenna Confutius gekeft heeft, door de Grie-ken geoordeelt wierdt, eerst gemeen ge-maakt te hebben aan het Menschdom,nadat ze hem uyt den Hemel zelf geopen-baart was. Ik bekenne, dat zy geheelonkundig zyn in de Musyk, zo ver alsze is een wetenschap, gesticht op zekereregelen van overeenstemming. Insgelyksweten zy niets van de wiskunst,en welinzonderheid van deslblfs inner! yker enbeschouwelyker gedeeltens. Nooit heestymand deze wetenschappen geoestènt, on-derzocht en voortgezet, dan wy Europeaa-nen , nochte nooit hebben eenige andereNatiën getracht het verstand te vercierenmet het klaar Licht van Wiskunstige enaantoonende redeneeringen. Het zelve maggezege worden van de kennisse Gods,envan het geloof in hem, zo als het strekttot onze Zaligheid door de verdienstenvan Christus. Het ís aan deze, andersinsbeschaafde, natie verboden op de aller-zwaarste straften , de Godsdienst doorhunne voorvaderen beleden te verzaaken,en een vreemde, nieuwe en in den eerstenopslag ongelöoselyke Leere vaneenGodt,die mensch geworden is, en de schande-lyke dood des kruyces geleden heeft,totzaligmaking van 't menschelyk geslachtte omhellen. Omtrent honderd jaarengeleden scheen het Licht van deChriste-lyke religie in volle helderheid in dit uyt-terste einde van het Oosten, maar helaas !het wierd kort daar na uytgebluscht doorhet bloed van ontelbare Martelaaren, enhet geen te verwonderen is, dat het ge-beurde door de feylen en het quaad ge-drag dier Eerwaarde Vaderen, die hetontstaken met zo veel yverenonvermoei-den arbeid. Ik meen, dat de Jesijitenveel beter zouden slagen in de voortzet-ting van 't Christelyk geloof, en dat zyeen zekerder loon en vergelding zoudentrekken voor hunne zorg en vlytigheid,konden zy zich onthouden van te zeer testeunen op de teere begintzelen , en vanter Zelver tyd aan te houden en te koe-steren te hooge bevattingen van hunneeige voorzichtigheid en bequaamheden.Onverduldig na vooripoedt en geluk,wânneef 'er flechts het allerminste voor-uytzicht is, en greetig om het grootyverkvan bekeering te zien tot een schielykcen gelukkigen uytslag, doen zy veeltydsveele andere dingen te zamen medewer-ken, en zy bemoeyen zich metzaaken,