VOORREDEN.
meenen, dat andere verdoold zyn , en dat in zaaken , daar wyzelfs in d waaien : indien door verkeerde berigten, overyling, ofzelfs door onkunde, (want een Menfch kan alles niet weeten) ditop myn Geschrift ook toepasselyk is , en men my zulks met be-icheidentheid aantoont , dat zal myn aangenaam zyn, en zal’t zelve met leerzaamheid aanneemen, en tragten te verbeteren,beoogende maar alleen de v. aare Kennis van de Wiskonft, envan de Hemelsloop ; zoo wyst men, tot nut van de Zeevaart, inde Zeekaarten, de Klippen en öndieptens aan, daar de Scheepenop verzeild zyn, op dat andere die myden , en daar niet op ver-vallen. Eene geringe gelykheid , die twee Staartsterren , ten op-zigt van hunnen loop, met malkander hadden, deed nu onlangs eeni-ge 8 terre kundige besluiten, dat het een en de zelfde Comeet was.Dog om op geen losse grond te bouwen, zoo wys ik een Voor-stel aan , waar door men van een Comeet, daar men maar een,of twee Waarneemingen van heeft, kan onderzoeken, of dit ookeen van de Staartsterren is, daar men de weg reets van bepaaldheeft, ’t zy dat men de grootte en stand van de Ellips weet, ofmaar, by wyze van onderstelling, de Parabole, die, zonder veelte missen, voor de waare weg van de Comeet kan genomenworden.
De tweede Verhandeling is over den Loop <van Jupiter , volgensde Wetten van de Zwaarte-kragt, en zal kunnen dienen tot eengrondüag, om den loop van deeze Planeet, en van Saturnus, vastte stellen. Op deeze manier kan men al de Waarneemingen, dieFlamjieed over Jupiter gedaan heeft, onderzoeken, en de veran-dering van de weg bepaalen, die voorkomt door de aannadering,de zaamenkomst, en de afwyking van Saturnus. Indien de Sterre-kundige , die Jaargelden of loon van de Vorsten trekken, verpligtwaren, ’s Jaarlyks eenige naukeurige waargenomen plaatzen van dePlaneeten op te geeven , in ’t kort zou men van alle de Dwaal-sterren, de oude en nieuwe Waarneemingen veel nader met deUitreekeningen kunnen doen overeen komen, als men tot nog toegedaan heeft.
De volgende Verhandeling leid ons op tot de kennis van de OudeMaaten ; waar in aangetoond word, dat men voortyds de grootte
3 van