VOORREDEN.
pen (a). Van 34 Comeeten, die Ricciolus meld, van 480 voor,tot J19 Jaaren na Christus, heest hy van geen andere de Maandgevonden , als alleen van de bovengemelde uit Aristoteles. Het isdikwils uitoeernend moeijelyk voor my geweest, om door 200veel on2ekere en tegenstrydige berigten heen te zien : ik heb welgetragt, om dezelve te ontwarren , en de waare Tydreekening tehei-stellen; maar of my dit gelukt is, daar van 2al ik het oordeelliever aan de Kenders overlaaten.
Op ’t laatste , 200 schroom ik niet, om myne Gistingen over deMenfchen daar by te voegen, hoedanig dat die ook zyn : dit ge-schied om andere aan te moedigen , op dat ze daar verder onder-zoek na doen ; daar is hoop , dat dit in ’t vervolg nog tot eenordentelyk zaamenstel zal kunnen gebragt worden. Ik zal myhier niet ophouden, om ’t nut aan te wyzen, waar toe zulks zoukunnen dienen ; dog maar alleen zeggen, dat, als men de Trapvan de Sterffelykheid wel bepaald heest, dat men dan de Lyfrentennaukeurig genoeg kan uitreekenen. Onder het afdrukken van ditlaatste , heb ik gelegentheid gekreegen , om de Lyfrenten door
nieuwe
(a) De eerste, die 1200 Jaaren voor Christus zou gezien zyn , stek Heveliusin Augustus ; maar de Maand is daar onmoogelyk van te bepaalen : de Sterren-wikkers schynen die genomen te hebben uit het inneemen van Troyen. Detweede , daar hy de Maand van stelt , is uit Aristoteles ; maar in deeze is menin het Jaar zelfs niet volkomen zeker: de derde verhaalt Seneca (Ouest. Nat.,lib. 1.) onder de Vuurcn , die uit den Hemel vallen , en fchielvk wdderom ver-dvvynen ; hy ichryft, dat men een Verschynzel zag , van grootte als de Maan,in de Macedonische Oorlog tegen Perseus-, verders bepaalt hy geen tyd : vooreerstis het twyffelagtig , of dit wel een Comeet geweest' is ; en ten anderen is ’c on-mooglyk, om de Maand en Dag, doe dit Verschynzel gezien wierd, vast testellen. Hevelius brengt het zelve op 166 Jaaren voor Christus , den 4den Sep-tember; Rockenbag een Jaar laater , op den zelfden Dag ; de Maand en Dag is ge-nomen uit Titus Lvoïus , die verhaalt, dat ’s nagts , voor de Nonas van Septem-ber , de Maan verduisterde , en dat de volgende dag Perseus door Paulus TEmiliusoverwonnen wierd; maar de Maand en Dag is volgens de oude Roomsche Al-manacb ; de Maan-Kclips is gebeurd, volgens de Juliaansche Styl, 168 Jaarenvoor Christus , den 21 sten Juny ; ook is deeze Verduistering ’t Verschynzel nietgeweest : in de vierde is het Jaar, 380, niet wel, en de Maand Mey in geengoede Schrvvers te vinden; de beschryving is te zaamengesteld uit de Comeeten,die in de Jaaren 39° en 4.1S gezien zyn : de vyfde , of die van ’t Jaar 418, daarvind mén niet van dat dezelve den »4den Augustus zig vertoonde, maar weldenmdenjuly, en dat men die omtrent de Maand Juny 'teerst gezien heest.
*