of dardryks-beschryvinge. 1 1
Meridiaan , en men de lengte van die het digst aan de Pool is ge-lyk a stelt en de andere —b, de Sinus van de Polus hoogte daar deboog op gemoeten is, die 't digst aan de Pool was =r, en de Sinusvan de Polus hoogte daar de boog gemeten ís die ’tdigtlt na denEvenaar is ~d, de straal r , de mylen die de halve middellyn derAarde door de Poolen minder is, als die door den ^Equinoctiaal;
, en e de mylen die deeze laatstgemelde halve middellyn lang
a — b: err
is, dan zal x nagenoeg zyn =-, of a — rmaal Log. r -l-,
3 a:cc—dd
Log. e + Log. a — b — Log. 3 a — Log. c + d — Log. c — d.Wanneer men dan de waarneemingen heeft van de Sterrekundigendie nog in Peru zyn: en daar door van graad tot graad de lengteuitreekent, dan zal men de omtrek van de Aarde nog naukeurigerweeten als tegenwoordig. Althans men kan genoegzaam vaststellen,dat de Omtrek van de Aarde over de Poolen heen niet veel zal ver-scheden van 8000 Hollandsche mylen ieder van 1500 Roeden Rhyn-lan'dsche maat (r).
5. De beweging der Aarde,
Philolaus van Croton, een tydgenoot van Plato , en Ecphantes® s à-beide Pythagoristen. Hicetus de Syracufer (k) en Heraclides van Pon- deloopt ’tus hebben ’c eerst onder de Grieken geleerd dat de Aarde draay-
de, (/) ’t welk naderhand door Anstarchus van Lamos gevolgd wierd,
(m') en in laater tyden door de beroemde mannen GaliUus Galilai (n);
B 2 * Mco-
(i) Men kan hier over nazien de Virhandeling van de Grootte der Aarde , psg. 6 2 en 6 ~.
(k) Andere noemen hem Nicetas.
(Z) Plutarcb , Cap. 11 & 12, de Plac , Philos., Lib. 3. Tom. 2, Laërtius in Phi-lolaus pag. 528. Cicero in zyn Acad. Quest. Lib. 4, Memoir. de Litterat. Tom. 2,pag. 16, Stanley, Philos. , en Poëtische Oudheeden, pag. 322, van dit gevoelenwaaren ook Democritus, Seleucus , Cleantbes en Leucippus : ziet Vojftus, de Scient.Mathem., pag- 150, uit Theopbrajl.
(m) Plutarchi de Facie, in Orbe Lunte, de Vermaling van J. Kepler , pag. 106,Franks. 1634.
(ra) System. Cosm ., dit gevoelen stont de Roomsche Kerk niet aan , daarom deedPaus Lrbanus de 8ste Galileus deeze stelling afzweeren in 'c Jaar 1633. Ricciol.,Almag., Tom. 2, Lib. 9, Sect. 4, pag. 499. Alhoewel uit een van de Gedigten van