j 6 Inleiding tot de algemeene Géographie ,
Tek. o / //
Saturnus - 7 : 2§ : 30
Jupiter - 5 : 10 : 7
Mars - - 4 : 1 : 12
de Aarde - 2 : 8 : 44
Venus - 9 : 5 • —
Mercurius - 7 : 13 : 49
In de twee bovenste Planeeten staan de verste punten stil, ten opzigtvan de vaste Sterren, de heen en weerslingermgen uitgezonderd,die voortkomen door de werkingen van de een op de andere, maarde onderste meent men dat voortgaan van wegens de Zwaarte-kragtder bovenste, en dat na die zyde daar in men de Planeeten zou zienvorderen, als men die uit de Zon beschouwde.
20 {m) j
”” ^>van de eerste Ster van Artes.
1° 1
14 (V) J
10. De Schuinsheid van de IVegen der planeeten.
De Als de weg die ’t middelpunt der Aarde beschryft, een zigtbaarek e°°en Ultie naliet) en een vlakte verbeeld werd door deeze linie endeZonshelling, middelpunt, zoo loopen de Planeeten niet volmaakt in deeze vlakte,maar wyken een weinig na buiten, en hun wegen doorsnyden dendeAf- zelve in twee punten als P en O (ziet de 11de afbeelding Fig. 2.) diebeeld, men de Noord en Zuidknoop noemt, als de Planeet van S na Ols ‘*' loopt, dan is O de klimmende en P de nederdaalende knoop, dehoek V P Q^, is de helling van de Planeetsweg, de plaats van ieders.Noordknoop uit de Zon te zien, als men die onbeweegelyk stelt tenopzigt van de vaste Sterren, is als volgt te reekenen van de eerste
Ster van Aries.
Tek.
g*-
min.
0
/
//
Saturnus -
2 :
22 :
Z2
2 :
: 30 :
' 50
Jupiter
2 :
8 :
: 46
1 :
: 18 :
: 50
(0)
Mars - -
0 :
: 19 :
: 10 De Helling der kringen
ï :
5 ° :
: 45
Venus
1 :
: 15 ^
: i(J
3 :
: 22 :
: 0
Mercurius
- 0 ;
: IS
: 41
6
: 59
: 20
(?)
ii. De grootheid der Planeeten.
Groot- Zoo lang als men de afstand tulfchen de Zon en de Aarde niet vol-P^ e d e ! r komen weet; zoo kan ook de waare grootte der Planeeten niet be-te» paald
(m) Volgens myn vinding. (ra) Volgens de Heer Halle\y.
(0) Volgens rayn vinding. (p) Volgens de Heer Iialley.