Buch 
Inleiding tot de algemeene Geographie benevens eenige Sterrekundige en andere Verhandelingen / door Nicolaas Struyck
Entstehung
Seite
26
JPEG-Download
 

O

26 Inleiding tot de algemeene Géographie y

Zon en Men weet dat de Aarde door de Zon verligt word , en daaromeen schaduw na moet laaten : wanneer de Maan , die om de Aardezen. loopt, in de Aardkloots-schaduw vervalt , stwelk niet geschiedenkan als omtrent de tyd van de volle Maan,) dan zeggen wy dat eenverduistering aan de Maan gebeurt ; maar als omtrent de tyd vande nieuwe Maan , de Maan zig tuiTchen ons en de Aarde zoodanigbevind, dat dezelve ons belet een gedeelte, of de geheele Zon tezien, dit noemt men een verduistering aan de Zon ; als de Maan,in zulk een geval, zoo digt by ons is ,, dat dezelve zoo groot, ofgrooter als de Zon schynt, indien de linie, die uit Zons middel-punt door de Maans middelpunt verbeeld word getrokken te zyn,de Aarde ontmoet j dan zullen zy, die op de plaatzen zyn, daardeeze lyn over loopt, de Zon , by helder weêr , geheel zien ver-duisteren ; dogt alderlangst, dat op Aarde de Zon geheel verdui-sterd kan worden gezien, is omtrent ± uur : maar als de Maan opt verst van ons af is, dan vertoont zy zig merkelyk kleinder als deZon; ent gebeurd wel, dat men de Maan op zulk eene wyze voorde Zon ziet staan , dat het geen , 't welk de Zon grooter schynt,zig opdoet als een verligte Ring.

datdeE 1 ^ nc ^ en de Maans weg net int zelfde vlak was,t welk de Aard-cHpzen. kloots weg met de Zon maakt , dan zou alle nieuwe Maanen de«iet alle Zon, en alle volle Maanen de Maan verduisterd worden ; maar omà"' dat de Maans weg met het gemelde vlak een hoek maakt van ruimvoor- y graaden , zoo moet de meesten tyd de nieuwe Maan oogschyne-vailen. b oven 0 s beneden de Zon voorbygaan , zonder dezelve te ver-duisteren ; en op de tyd der volle Maan moet veeltyds de Maan deAardkloots schaduw voorby loopen , zonder dezelve aan de een ofaan de andere zyde te raaken , en bygevolg geen verduistering inde Maan. Het nut dat uit de Eclipzen kan getrokken worden,zoo voor de tydreekening, als om de lengte der plaatzen te vinden,daar zal int vervolg van gehandeld worden.

De De Punten, daar de Maans wegt vlak van de Ecliptica fnyd^draayt noemt: men Noord- en Zuid-knoopen , of ook welt Draaken-omhaar hoofd en Draaken-staart; deeze Punten staan niet stil, maar loopenAs - te rug, zoo dat de Maan omtrent 27 dagen en 5 uuren van noodenheeft om wederom by de zelfde Knoop te komen ; in deeze tydwentelt zy eens om, op een spil, die altyd in éénen stand blyst,

en