Buch 
Inleiding tot de algemeene Geographie benevens eenige Sterrekundige en andere Verhandelingen / door Nicolaas Struyck
Entstehung
Seite
71
JPEG-Download
 

ef Jlardryks-beschryvmge.

VI. HOOFDSTUK.

n

Van de Mynen.

O p de Aarde heest men reeds zoo veel Mynen , van Metalen, Van deen andere Stoffen, ondekt, dat het te lang zou zyn, om die Mynen -alle aan te wyzen ; ik zal maar eenige van de voornaamste aan-trekken.

Het dierbaarste onder de Metalen is 't Goud, de deeîen daar van ’tGoud.Lyn digt in een gedrongen ; want geen zwaarder Metaal heeft mentot nog toe ontdekt : evenwel kan men ’t Water door de poriënvan ’t Goud heen persten; want een goude ronde kloot, van bin-nen met Water gevuld, door een Hamer tot een andere gedaantewillende slaan, om de binnenste holte, daar ’t Water in beilootenwas, kleinder te maaken, zag men ’t Water aan alle kanten van 'tGoud als zweet uitbreeken {a). Dat ook het Goud duurzaam is,weet men door de ondervinding; en,dat door het vuur weinig daarvan vervliegt, blykt, om dat een once Goud, een half Jaar lang,in een geduurige gestookte Glasblaazers Oven gehouden , zoo dathet altyd kookte, of vloeibaar was, geen grein verteerde (b~).

Voor éen lange reeks van Jaaren zyn de Goud- Mynen al bekend Goud-geweest : Plinius stelt Cadmus van Phénicien , als een der eerste M y° en *

Ontdekkers ; die ook het smeken en fynmaaken daar van , by denBerg Pangaeus, zou uitgevonden hebben (Y),

In America zyn veel Goud-Mynen : in ’t gemeen vind men, In Avolgens ’t verhaal van Frezier , in 5000 pond Minerale Stoffe, van meriea *4 tot 6 oneen Goud » daar doorgaans twee oneen afgaat voor deonkosten : dog op zulke berigten kan men niet zeker zyn ; mendiende, uit de Boeken van de Mynen, zelfs te hebben, hoe veelGoud of Zilver, io een bepaalde tyd , daar uitkomt, en hoe veeldat de onkosten daar van geweest zyn. Het is zeer zeldzaam dat. men groote stukken Goud vind ; evenwel heeft men een stuk gevonden

van

O) Korte ínhoud van Philos. Lesten, door Desaguliers, pag. 94, Atnst. 1731.

,(&) Boerhaven stleM. Chym. (c) Plinius , lib. 7, cap. 56, pag. 149.