ï 1 8 Inleiding tot de algemeene Géographie ,als men de weêrftand van de Lugt niet in agt neemt, nog die vande middelhof, dat dan de Vierkanten der Tyden evenredig zynmet de wydtens, die 't Lichaam doorvalt (b) • dog de tegenstandvan de Lugt doet in ’t kort de toeneemende beweeging vertraagen.Door de Proefneemingen kan men nagenoeg ontdekken, watweêrftand dat de Lugt doet aan de vallende Lighaamen van ver-scheiden zoorten (c) ; ook, hoe veel beletzel dat die in ’t Waterontmoeten : men heeft waargenoomen, dat een kleine ronde kloot,gevult met Quikzilver, in 4 seconden tyd, 220 Londonsche voetenneervalt ; ’twelk, volgens de Beschouwing van Galileus, in den zelfdentyd, een hoogte van 257 voeten zon moeten nederdaalen. Wan-neer een Lighaam regt na omhoog gefchooten word, de zelfdewydtens, die het in ’t opklimmen doorgaat, zal het ook, in gelykentyd, wederom doorgaan in ’t nedervallen ; maar word het schuinsopgeworpen , dan leid de Cenrerirekkende-kragt het zelve van deregtlieniiche beweeging af, en doet het nagenoeg in een krommelyn loopen , die de Meetkonstenaars een Parabole van ’t eerste ge-ilagt noemen (d) ; want de linien van Directie, hoewel dat die in’t middelpunt van de Aarde te zaamen komen , zoo kan men dieals evenwydige aanmerken. Neemt men, door middel van eenLugt-pomp, de Lugt weg uit een glaze Pyp , dan kan men zien,dat een stuk Goud, en een Veer van een Vogel, in den zelfden tyd,gelyke wydtens zullen doorvallen (e). Om de kortheid, andereEigenschappen van de Lugt voorby gaande , zoo laat ons bezien,hoe dat de Ligtftraalen, in de doorichynende Lighaamen, buigen.
2. Van de Straalbuiging.
2 .Van de Als een Ligt straal van de eene Stof overgaat in een andere, díebSgtg digterofylderis, zoo buigt de Straal : dit geschied door de aantrek-in ver- kragt ; daar meer Stof is , daar worden de Ligtftraalen na toeLighï- getrokken; dog in Oly en Zwavelagtige Lighaamen zyn de Straal-men. buigingen veel grooter , als in andere van de zelfde digtheid.Laat in de lilde Afbeelding, fig. 4, PQR. een vlakte zyn uit zeker
Lig-.
(b) Galil. Syst. Cosm., pag. 154 en 155, Lugd. Batav. 1699.
(c) Newton Philosoph. Nat. Princ., zrS.
(á) Gal. Mechan. Dialog. 4.
(e) ’sGrwe/ande Elem, Phys., pag. 19, Lugd. Bat. Ao. 1720.