Buch 
Inleiding tot de algemeene Geographie benevens eenige Sterrekundige en andere Verhandelingen / door Nicolaas Struyck
Entstehung
Seite
120
JPEG-Download
 

ï 2 O

m

si

120 Inleiding toi de algemeene 'Géographie ,

3. Van de Regenboog.

3.v*n de Dat al de Straalen van de Zon niet even buigzaam zyn, blyktdoor de Prisma, zynde een driekantig Glas, daar Seneca reets

°° s kennis van had; want hy schryft, dat, als de Zon np de kant daardoorscheen, dat men dan deCouleuren van de Regenboog gewaarwierd (g). Als in de voorgaande Figuur PQ_R een vlakte van deLugt, enPSR vant Water verbeeld3 indien CD genoomen wordop 8r deden, dan is in de alderbuigzaamste Straalen AB 109, enin de alderonbuigzaamfte AB 108 van die deden , de meer of min-der buigzaamheid van de Straalen word waarfchynelyk veroorzaaktdoor dat de eene Straal grooter Ligt-deeltjes heeft, als de andere,die evenwel met de zelfde fnelte voortgedreeven worden > de groot-heid van de beweeging moet malkander dan overtreffen, en daaromword de een zoo ligt niet van zyn weg afgetrokken als de ander.Hier door kan men reden geeven van de Regenboog , 't welk devermaarde Newton 't eerst volkomen ontdekt heeft, die aantoonde,dat de onderste en helderste Boog, die door de levendigste Cou-leuren gemaakt word, door een enkele weêrkaatzing in de droppe-len Regenwater , en dat de btutenste , die flaauwer is, en de Cou-leuren aan de tegenovergestelde zyde heeft, geschied door tweeweêrstiutingen. Laat in de lilde Afbeelding, Fig. 5, een druppelRegenwater, of van een ander doorschynend Lighaam, vertoondworden, door de Globe of Cirkel BNFG, die uit het middelpuntC beschreeven is; AN word aangemerkt als een van de ZomStraalen , vallende op deeze Globe in N, die van daar buigt, engaat in F, daar hy uit de Globe komt met Refractie, of wederomgestuit word na G, en gaat daar met Refractie uit, of word wederomgestuit tot m H, en vervolgens met Refractie uitloopt na S, ver-lengt AN en RG, tot dat die malkander ontmoeten in X, laat opAX en FN vallen de Perpendiculaaren C D en DE: om de uiterstebepaaling van de binnenste boog te vinden, zoo stelt men, dat hetpunt, daar de Straal in komt, als N, geduurig voortgaat tot in L*men moet dan vinden, wanneer dat de hoek AXR opt alder-grootste is, stellende de halve middelyn NC = a , de Sinus van de

hoek

(d) Q uest ' Nat., lib. r, cap. 7.

iiil

t