226 Betrekkelìjke Zwaarte van
ix. Les. 6. We hebben in onze VII de Les N°. 14. bladz. 122. reeks ge-toond, dat een lighaam, ’twelk foor tonder ich eidenl ijk ligter is, daneen Vloeistof, onder de Oppervlakte van de Vloeistof geplaatst zijn-de, zal ópschieten, en bovenkomen; maar we hebben niet bewezen,met welke Kragt het zou opkomen. De Kragt, waar meê het lig-haam opschiet, is de betrekkelijke Zwaarte van de Vloeistof, ver-geleken met het lighaam: want indien Water bij voorbeeld 4. maalfoortonderscheidenlijk zwaarder is , dan het lighaam , zal deszelfsbetrekkelijke Zwaarte 3 zijn, waardoor het lignaam zal rijzen metde kragt 3; dat is, dewijl een evengroot Volumen van Water tragtte dalen in de plaats van het lighaam met de volstrekte Kragt 4.,terwijl het lighaam maar met de Kragt 1 naar beneden zakt, zal hetWater ’t lighaam uit zijne plaats dringen, en het doen rijzen metde Kragt 3.
IV. PROEF.
î’l.xxv. D {Plaat XXV. Fig. I.) is een holle Teerling van Tin (ofFi£ ' u Blik) van 2 Duim elke zijde, wegende een Once, en zijnde 4.maal foortonderscheidenlijk ligter , dan Water, waarvan een Teer-ling van het zelfde Volumen 4. Oneen weegt. AB is een omge-keerde Balans, bewegende om het Middelpunt C, gehegt aan eengewigt, om niet uit zijne plaats te rijzen. EF is een groot Glas,met Water gevuld ter hoogte van de Lijn SS, op welke Opper-vlakte de Teerling drijft, zinkende maar één vierde van zijne hoog-te; maar deszelfs onderkant is met een draad op zulk een wijs
vast
(bij voorbeeld vijf Duim) in Rivier-wa-fter , of zagt Fontein - water , kan men ,opmerkende, hoeveel dieper die Water-weger zinke in het ééne, dan in het an-dere Water, derzelver verschillende soort-©nderscheidende Zwaarte ontdekken totop een 40000ste gedeelte toe, hetwelkovereenkomt met een Tiende van eenDuim , op de Stift A C gemerkt, Dewaarheid van deze juistheid wordt op devolgende wijs bewezen. Wanneer de Wa-terweger in 'tWater staat in ’cGlas I K L M,en de Oppervlakte van 't Water de Stift
snijdt in D, zal hij, wanneer 'er een Greingewigts boven op de Stift in A gelegdwordt, zoo veel zinken, dat het MerkjeD een Duim beneden de Oppervlakte van’t Water kome, hetwelk bewijst, dat eenGrein gewigts hem een Duim doet zak-ken. De Waterweger, op de Schaal ge-wogen zijnde , wordt bevonden 4000Grein te wegen, en dewijl men voorafweet, dat elke Duim van de in Gradenverdeelde Stift 10 Grein weegt, moet hetgedeelte DCBècD van den Waterwe-ger 39J0 Grein wegen. Volgens N. 7. van
deze