226 Proeven ontrent de Breekbaarheid van Ligt si ral en.
ge buitenlandse Heeren. Maar eer ik een berigt geve van de Proeven,verzoek ik verlof, om eenigen van Signior Rizzettss uitdrukkingentegen Sir Isaac aan te halen ; anderims zou ik geoordeeld konnen wor-den de zelfde fout begaan te hebben, die ik hem te last gelegd heb.
Hij zegt in de Voorreden, bladz. 13. Ik ben verwonderd, dat dezeer schrandere Newton niet geweten heeft, dat het witte Ligt an-ders door een Prisma , dan door een Vergrootglas verspreid wordt .Wie, die ooit de Gezigtkunde van Sir Isaac Newton gelezen heeft,kan van zulke gedagten zijn, dan onze Schrijver. Voorreden bladz*81. Een Leer , waar in zoo vele Onderfieilingen zijn , als ’er Ver-schijnsels verklaard moeten worden. Daar het nogthans bekend zij,dat Sir Isaac geene Onderstellingen maakte, om Verschijnselen te ver-klaren, maar duidelijke Gevolgen uit Verschijnselen afleide. In hetBoek zelf, bladz. 5f.-zegt hij van Richterus zijne partij, Indien hijde verschillende Straalbreking der Koleuren met snappen zoekt teverdedigen , — en van Sir Isaac — Indien Newton misgetajt heeft,omdat hij in ééne soort van Proeven op de bedriegelijkheid van èène ,en dat wel de moe jelijkste, aangegaan heeft; wij leer en, eer weGevolgen trekken , alle Proeven van de zelfde soort te doorkruisen ,beginnende met de gemakkelijks en. Bladz. 76. van Sir Ijaac ipreken-kende, zegt hij, Ik bevestig nu met meer vertrouwen , dat de Schrij-ver meer Gevolgen uit de Verschijnselen getrokken heeft , dan bij badbehoor en te doen. Bladz. 90. Wie zou den Regel van zoo groot enman hebben durven besrijden, daar allen, die den zelventot nog toe,als in een jchaal hebben gewogen , daar reets uitgescheiden zijn enz,Blad. 91. is deze uitdrukking in ’t bijzonder aanmerkelijk — Newtonschijnt met deze manier van redenkavelen het zelfde gedaan te heb-ben , als de Lesbiërs, die wanneer de gebouwen niet naar den Maat-sok gemaakt worden, den Maatstok naar de gebouwen maakten.
Ik kan niet wel overslaan ’t geen hij YznRichterus zegt bladz. 100Iomdat het zoo toepasselijk is op hem zelf; Ik heb Richterus vermaanddat hij volgens zijn eigen begrip , y t geen anderen verzuimd hadden,zou verrigten; maar hij die vermaning in den windsaande wil, inplaats van te zien , wat ’er van de natuur gedaan worde , dat de na-tuur dat gene doet, het welk hij oordeelt te moeten geschieden. Bladz.127. Wanneer de Schrijver dit voor den dag brengt, schijnt hij wei-nig bedreven te zijn in ’t geen ‘‘er in het polijsten van Glazen voor-komt * Om