8 DE BESCHRYVING EN GESCHIEDENIS
In het Jaar 1682. begaf hy zich aanboord van een groote*^ Siamsche Jonk,mar Manilhas in de Filippynle Eylan-den moetende. De Loots van deze Jonk,benevens wien noch vier en sestig ande-re ceters waren , was een Portugeefch.Na eene tamelyk voorspoedige reysftrandc het schip by schoon weder opeen klip , ontrent twee mylen van eenkleyn laag Eyland, door de PortugeesênVista Grande genoemt. De Loots bene-vens eenige andere quamen in de boot,en geraakten na zes dagen dryvens aande Kusten van ‘sonquin , van waar zy naarSiam keerden. Het meeste gedeelte van’t scheeps volk wierd in zee gerukt, enbuytcn twyffel door dezelve ingezwol-gen. Hanjemon , en dertien andere wier-den op ’t bovengemelde Eyland gesme-ten , ’t welk niet verder dan twee mylenafgelegen was van de plaats, daar zystrandeden , ’t viel gelukkig voor hendat het schoon weder, en de zee stilwas, nadien zy anderzins onvermydelykzouden hebben moeten verloren gaan.Vista Grande behoort tot de FilippynfcbeEylanden , zynde niet verafgelegen vanhet groot Eiland Luzvn of Manilhas. Hetis een laag vlak Eiland zonder bergen enbostchen, maar niet zonder planten enBamboes. Men had bevonden, dat het357. vademen breed, en 363. vademenlang was. Hanjemon en zyne ongelukki-ge medegezellen vonden op het Eylandvoor hun onderhoud , een groote me-nigte van gevogelte,’t welk zo tam was,dat zy het, als ze wilden met de handkonden vangen. Zy hadden lange neb-ben, en men bevond dat ze maar vier-derley soort uytmaakten. Een soort on-der andere was zwart en wit, en hetzelve, ’t welk de Portugeesen Parginjenoemen, dit bleek hen het voordeligste,om de Eyeren , die byna zo groot wa-ren als hoendereyeren , en welke zy ’tgcheele jaar door konden hebben. Langsde kusten vongen zy groote Schilpadden,waar mede zy zich zes maanden in hetjaar geneerden. Onder de kruyden von-den zy het Dracontitim i welkers grootewortel in de Indien gegeten word, nadat desselfs scherpe zap daar uyt gedruktis. Zy verzamelden zorgvuldiglyk hethout dat aan land gesmeten wierd, endaar van een soort van een vlot gemaakthebbende, gingen zy met stil weder daarin naar het wrak, om van daar te haaienhet hout, yzer, en andere stoffen die zykrygen konden, dewelke hen naderhandvan zeer groot nut waren om viscb teyangen, en zich van andere noodzake-lykheden te voorzien. Zy maakten vuur
op der Indiaanen wyze , door twee ge-droogde stukken Bamboes tegen elkanderte wryven. Toen hunne kloederen ge-heel verlieten waren , herstelden zy ’tgebrek met de huyden en vederen dervogelen, die zy doodeden * dezelve zogoed als zy konden aaen een hegtende.De groote schulpen, door de Hollandersin Indien Vader Noachs Schulpen genoemt,dienden hen voor potten en ketels omhunne fpys in te koken ; doch zy be-vonden, dat die niet lang tegen het vuurkonden duuren: om dit ongemak te hel-pen, bestreeken zy ze met het bloed dergedoode vogelen,by geval tot hun groo-te blydschap, opgemerkt hebbende, datze dus besmeert langer konden uythar-den. Kort om, daar was weinig dat henontbrak tot lyfs onderhoud dan verschwater , waaromme zy gaten in de aardegroeven op verscheide plaatsen van hetEyland om regenwater te vergaderen, ’cwelk zy dan tot hun gebruyk bewaar-den in de gemelde schulpen. Zy droe-gen ook zonderlinge zorg , om by eente zamelen en te bewaren alle stukkenhouts; die van tydt tot tydt op strandgedreven wierden. Op deze wyze red-beden zy zich by na acht volle jaaren,hebbende in dien tyd drie hunner rped’jgezellen verloren , nergens anders op' denkende, dan om hunne dagen in diewoestyne te eindigen. Doch eindelykde lust om tot hunne wyven, vriendenen bekenden weder te keeren zo veren sterk bovendryvende , bestoten zycenpariglyk van hunnen voorraadt vanhout een boot, of liever een monster vaneen boot te timmeren, en zich weder aande genade der baaren te betrouwen, veelliever dan langer zodanigen troosteloo-lèn en elendigen leven te voeten op zulkeen woest en onbewoond Eyland. Ditfcesluyt genomen hebbende teegen zy aan’t werken, en den boot klaar hebbende*scheepten zy zich, elf in ’t getal, en, onbe-*wüst werwaards hun noodlot en goedgeluk hen voeren zoude. Na een endertig volle dagen gedreven- en veelemoelykheden, uytgestaan te hebben, ge-raakten zy eindelyk in de Baay van Ton-gum , op de kusten van ’t Eyland Haynam ,en als of ’t hun goed geluk dus gewisthad, aan dat gedeelte van ’t Eyland, datnaar Canton legt, ’t welk den Chineelèntoebehoort, ’t ander gedeelte naar Cochinchi -na, bewoont wordende, door een on-barmhertig en wild woest volk. DeChineefche Landvoogd van dit Eylandontfinghen met allebedenkelyke beleefd-heid , kleedde hen, en zond ze Mar Macao,van waar drie hunner aan boord van een
Por-