De Japo-ncesershebbengeen koop-handel no-dig metvreemde-lingen.
Woonenin een ge-lukkigeLucht-streek.
482, A A N H A N G !
Zy hebben geen zachte peuluwen omhunne hooföen neer te leggen. Zyslapen op de grond, leggende hunnehoofden in plaats van een peuluw op eenstuk houts, of boute doos, iets ingedruktin het midden; geheele nachten brengenzy door zonder slaapen,en lyden allerleyongemakken. Maar anderfins zyn zygroote Liefhebbers van beleefheid engoede manieren, en zeer zinnelyk overhaar zei ven, en zuyver en net over hun-ne kleederen en huyzen.
Het is 'er waarlyk ver van daan, datik zoude meenen dat de Japonccscn zou-den afkomstig zyn van de verwyfdeChineefen, en ik vley my zelf, dat eenygelyk die niet vooringenomen is metde ver haaien van sommige der eerstereyzigers, en die de moeyte wil nemenvan zich te onderrechten en te onderzoe-ken na den oorsprong van de natie in hetLand zelf, geen zwarigheid maken zalom myn gevoelen te omhellen. Zy zynveel eer van een Tarterschen aardt engeneigtheid, veel gematigder door be-schaaftheid en beleefdheid. Daar is inhun bloed een zamenmengsel van hetvuur en verwoedheid der Tartaaren, envan de koelheid en zachtzinnigheid derChineefen.
§. 3. En niettegenstaande deze menig-vuldige en groote, tot hier toe opgeteldevoordeelen, zou het toch een ydeleonderneming in de Japoneefèn zyn, vanzelfs met al hun kracht en dapperheid hetLand te bewaren voor invallen van buyten,en zelfs t’huys te blyven zonder eenigegemeenfehap-houding met vreemde na-tiën , indien het niet was, dat zy binnenhunne ei ge grenfen genoeg vonden , omten eenemaal vreedig en gerust vernoegtte leeven.
Van den tyd af dat het Ryk is opge-sloten geweest, heeft de natuur, diegoedaardige Leermeerteresic hen geleert,en zy zelve bekennen het zeer gaarn,dat zy volkomentlyk kunnen bestaan ophet geene het Land voortbrengt, en datzy niet nodig hebben dat vreemdelingenhen levensbehoeftens aan brengen. Elkeen die zich wil verlecdigen het Land tebeschouwen in defsclfs gelukkigen staat,zal bevinden dat het geene ik hier zegge,waarachtig is. En in de eerste plaats ishet geen gering voordeel, dat de Lucht-streek by uytnemcntheid gematigt is, nietblootgestelt aan de brandende Zon derZuyderlyke Landen,noch aan den vorst,door de uytnemende koude der Noor-derlyke Landschappen. Het is genoegbekent , dat geen Landschappen zovruchtbaar, geen zo aangenaam est ver-
EL VAN DE
makelyk zyn, dan die leggentusschendedertig en veertig graadenNoorderbreed-te. Men zoude met recht mogen tegen-werpen , dat Japan is een ruuw steen-achtig Land, met veele kettingen vansteyle toorens hooge bergen, en dat hetin de meeste plaatsen ruuw en dor zoudezyn, indien het niet. met ongemeenezorg en vlyt bebouwt was. Maar hierin zelfheeft de natuur by uytnementheidhaare goedaardigheid aan ditLand betoont:dit schynend gebrek in de grond, ditgebrek van bouwing, is het dat de In-woonders opwekt tot de zo zeer prys-waardige geest Van arbeid en naarstigheid.Zodanig is anderfins de vruchtbaarheidvan het Climaat, dat 'er naauwlyks eenheuvel is hoe klein en ongezien, mauw-*lyks een berg hoe hoog hy ook zyn mag,die bebouwt zynde, gelyk de meestezyn , niet overvloediglyk vergelden enopbrengen de moeyte, zorg, en arbeid,die de naarstige Landbouwer aan dezel-ve besteedt. Dat meer is, de aller-schraalste plaatsen, die byna geen deminste bebouwing willen duïden, zynniet ten eenemaal onnut. Eene TalrykeNatie , zulken grooten Vyand vanluyheid, gelyk de Japansche is, en daarbeneven bepaalt binnen de enge grenssenvan eigc Land, heeft geleerc gebruyk tcmaken van de meeste voortbrenselen dernatuur, die of de Zee of het Land voort-brengt, niet alleen tot onderhoud van ’tLeven, maar ook tot defsclfs gemak enplcyzieren. Daar is weinig te bedenken,of men ziet het op haare tafels op de eeneof de andere wyze toegerecht. Veeledingen, die by andere Natiën versmaadtworden , maken een gedeelte uyt vanhun gerecht en lekkerste schotels. DeBostchen en wildernisten, de moeradenen woeste Landen van het Ryk, brengentoe haare wortelen en kruyden zo weltot overdaad als tot verciering van haaretafelen. De Zee levert uyt een zeefgroote verandering van dierlyke en kruyd-of plant-stostè, van krabbens, schulpvif-schen, Holotburia , gelyk de Natuurkun-dige dezelve noemen, of Zeequabben,Zee-kruyden en diergelyke. De veny-nige hoedanigheid van sommige visschenweerhoud hen niet van dezelve te nuttigen;Niet te vergeefs heeft de Natuur zo mil-delyk aan deze Natie besteed Lichamen,bequaam tot harden arbeid, en herslènentot verstandige en geestryke' uytvindm-gen. Een grond in haar zelve» zo dor,en zo zwaar om te bebouwen als de haare,Was in zekere opzicht nodig, öp dat hethen niet outbrake aan bequaame gele-gen theden, om hunne vlyt te oeffenen,