Buch 
Christiaan Huygens in zijn Leven en Werken geschetst / door P. Harting
Entstehung
Seite
16
JPEG-Download
 

16

zoo zeer verbeterd en groole kijkers overal verbreid zijn,zoo gewoon geworden aan de ontdekking van nieuwe he-mel ligchamen , dat men, om zich de gewaarwordingen, dieden zesentwinligjarigen Huygens op dit oogenblik bezielden,regt levendig voor te stellen en zijne ontdekking naarwaarde te schatten, zich terugdenken moet in den tijd,waarin zij plaats had.

Tot in het begin der zeventiende eeuw kende men slechtsvijf planeten of dwaalsterren: Mercurius, Venus, Mars, Ju-piter en Saturnus. Voor hen , die hel stelsel van Coperni-cus aannamen, was de aarde eene zesde. Alleen deze be-zat een maan , welke zich daarom heen beweegt. Zoo wasderhalve het geheele getal der bekende, van plaats verande-rende hemelligchamen zeven. In 1608 werd hier te landede verrekijker uitgevonden u ), en reeds den 7den Januarij1610 zag Galilei met het nieuwe werktuig drie der manenvan Jupiter en, zes dagen later, de vierde. De ontdekkingvan het manenstelsel van Jupiter was niet enkel op zich zelvegewigtig , zij was ook een steun voor hen, die met Coperni-cus meenden, dat de zon stil slaat en de planeten met deaarde daarom heen wentelen. Natuurlijk rees nu het vermoeden,dat ook nog andere planeten van manen vergezeld zoudenzijn. De kijkers werden gerigt naar Venus, Mars, vooralnaar Saturnus, maar te vergeefs. Intusschen hadden diekijkers zeer belangrijke verbeteringen ondergaan, zoodal zijin optisch vermogen veel vooruit hadden boven hel gebrek-kige werktuig, waarmede Galilei zijne ontdekkingen gedaanhad. Het holle oogglas was door een hol glas vervangen,en daardoor was men in staat gesteld aan de kijkers eeneveel grootere lengte te geven, waardoor hun vergrootendvermogen in gelijke mate klom. Sommigen hadden reeds