41
namelijk zijne theorie niet dadelijk en algemeen als de eenigeware is erkend en dat er integendeel anderhalve eeuw moestvoorbij gaan , voordat Young en Fresnel de natuurkundigenals het ware dwongen haar als de eenige ware te erkennen ende schijnbaar eenvoudigere en daarom meer populaire, maaronjuiste hypothese van Newton voor goed te laten varen 64 ).
Het bestek, waarbinnen ik mij wensch te beperken, ver-oorlooft mij niet dit in bijzonderheden te ontvouwen, maarik mag niet nalaten te herinneren, dat een gewigtig deelder bewijsvoering van Huygens steunt op de merkwaardigeeigenschap van den kalkspaath of het IJslandsch kristal, om,wanneer een lichtstraal daardoor in zekere rigtingen heen-gaat , dezen zich in twee stralen te doen splitsen 65 ). Bijdit onderzoek kwam hem zijne eigene mechanische kunst-vaardigheid te stade. Hij vond niemand in staat om destukken IJslandsch kristal naar zijne voorschriften te slijpen.Toen deed hij het zelf. Het polijsten der oppervlakte ge-lukte hem echter slechts gebrekkig, maar hij wist zich tehelpen: hij kwam daaraan tegemoet door deze met eendroppel olie of eiwit in te wrijven. Aan zulke kleine trek-ken erkent men den echten natuuronderzoeker, die, zooalslater Franklin zeide, »met de boor moet weten te zagenen met de zaag te boren.”
Aan zijne Dioptrica, reeds, gelijk wij zagen (bl. 14), inzijne jeugd begonnen, ging Huygens gedurende deze laatstejaren van zijn leven gestadig voort te arbeiden. Met hoegroote belangstelling dit werk in de wetenschappelijke we-reld werd tegemoet gezien, blijkt uit de aan Huygens ge-rigte brieven, inzonderheid van Leibnilz, die er telkensnaar vraagt.
Tevens hield hij zich veel met wiskunde bezig. Het was