Buch 
Christiaan Huygens in zijn Leven en Werken geschetst / door P. Harting
Entstehung
Seite
59
JPEG-Download
 

59

ken, deels door diegene,welke in handschrift berusten in debibliotheek te Leiden, waarvan eenige door TJylenbroek zijn uit-gegeven , dat dit geheele fijn gesponnen weefsel als rag vaneenscheurt, zoodra men hot aanraakt.

Reeds het in den tekst en in de Aanteekeningen 12 en 13 ge-zegde bewijst het, maar hier komt bij, dat de steller dezerbrieven, hoe listig hij ook de zaak heeft aangelegd, toch eenegroote onhandigheid heeft begaan , door Huygens te laten zeggen ,dat zijn maan eenen omloopstijd had van 15 dagen, 22 uren en 1.Volgens het anagram, waarin Huygens zijne ontdekking aankon-digde, bedroeg die omloopstijd 16 dagen en 4 uren. Toen hijeen jaar later een uitvoeriger berigt gaf van zijne ontdekking {DeSaturni luna , Opera varia II, p. 524), had hij uit zijne waar-nemingen het besluit afgeleid, dat de omloopstijd juist 16 dagenbedroeg. Eerst vier jaren later, toen hij zijn Systema Saturniumuitgaf, kwam hij nogmaals daarop terug {Opera varia, II, p.551) en schreef aan de maan oenen synedischen omloopstijd toevan 15 dagen, 23 uren en 13 minuten, hetgeen aan eenen eigen-lijken omloopstijd van 15 dagen, 22 uren en 39 minuten beant-woordt. Thans weet men, door de veeljarige, met veel naauw-keuriger werktuigen verrigte waarnemingen der sterrekundigen vanonzen tijd, dat de ware omloopstijd van den door Huygens ont-dekten wachter, 15 dagen, 22 uren, 41 minuten en 25 secondenbedraagt. Daar nu I uur 40 minuten is, zoo zoude Huygens,indien die brieven echt waren, niet alleen in den ongelooflijkkorten tijd van twee maanden reeds op minder dan li minuut nahet juiste cijfer voor den omloopstijd gevonden hebben, maar laterachtereenvolgens twee zeer gebrekkige, van elkander afwijkendecijfers hebben laten drukken, om eerst vier jaren na de eerste aan-kondiging het regte, hem reeds lang bekende cijfer publiek temaken. Zulke ongerijmdheden weerleggen zich zelve.

Hier komt nog bij, dat de steller der brieven Huygens aanBoulliau laat schrijven, dat hij den ring heeft wedergezien , terwijlde ontdekking van den ring inderdaad op die van den wachtergevolgd is. Voorts is ook de brief van Boulliau geheel in «tegen-spraak met den eersten brief van Galilei. Deze zoude, gelijk wijzagen, den 7den Junij 1641 meer dan éénen satelliet van Satur-nus gekend hebben, terwijl Boulliau in zijn brief alleen gewagmaakt van den satelliet, denzelfden dien Huygens ontdekt heeft.

Wat den kijker betreft, waarmede Huygens zijne ontdekkingdeed, zoo had deze eene vijftigmalige vergrooting {Syst. Saturniump. 523). Eerst later (na den 19den Februarij 1656) begon hijzijne waarnemingen te doen met eenen kijker van 23 voet, dieeene 100-maligo vergrooting bezat.