61
Huygens de maan van Satumus voor het eerst gezien heeft. Tenovervloede voeg ik er nog bij, dat ik mij in gezelschap vanmijnen ambtgenoot Kaiser volkomen heb kunnen overtuigen, dathet genoemde opschrift van de hand van Huygens is , door ver-gelijking met zijn handschrift, bepaaldelijk met dat van zijn jour-naal, hetwelk met 1657 door hem begonnen is. Dezelfde lettersen dezelfde woorden stemmen in heide gevallen zoo na overeenals zich verwachten laat van letters en woorden, die met eendiamant gegrift en dergelijke, die met pen en inkt geschreven zijn.
Het terugvinden van dit glas heeft, sedert de ergerlijke beschul-digingen , die tegen Huygens in de Fransche Akademie zijn inge-bragt, eene hoogere beteekenis erlangd. Het is , om zoo te spre-ken, het corpus delicti, waarvan het bestaan niet meer betwijfeldkan worden. Ook is er nu geen vrees meer, dat het ligt verlorenzal gaan. Het is namelijk, door toevoeging van een koker enoogglazen, weder tot een 10-voets kijker geworden, met vergroo-tingen van 39, 51 en 62 maal. De middelste dezer vergrootin-gen, ongeveer gelijk staande met die, waarvan Huygens zich be-diende , is nog zoo scherp als zich van eenen niet achromatischenkijker slechts eenigzins verwachten laat. .Reeds hij de 39-maligevergrooting zijn de afgeplatte gedaante en de banden van Jupiterduidelijk herkenbaar. Saturnus, in dezen tijd niet aan den hemelzigtbaar zijnde, is er nog niet door kunnen beschouwd worden.
Inderdaad blijft er derhalve van die beschuldigingen nietsover, dat eene ernstige wederlegging vordert. De door Chaslesmedegedeelde brieven zijn het werk van een of van meer falsa-rissen ; dit mag men reeds uit het aangevoerde met zekerheid be-sluiten. Wat bepaaldelijk de brieven aangaat, welke door Galileiin 1641 zouden geschreven zijn, zoo is dit reeds daarom eeneonmogelijkheid , omdat Galilei, volgens het eenstemmig herigt vanal zijne levensbeschrijvers, reeds in 1637 volslagen blind was. Dienog daaraan twijfelen mogt, leze den brief van eenen landgenootvan Galilei, den hoogleeraar Gilbert Govi te Turyn , opgenomenin VInstitut, 1867, p. 395, waaruit men tevens vernemen kan,dat Galilei nooit brieven in de Fransche taal, maar alleen in deItaliaansche en Latijnsche geschreven heeft.
Overigens verwijs ik den lezer naar het uitvoerige verslag,hetwelk nagenoeg gelijktijdig met het verschijnen dezer Levens-schets, in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen zal wordenuitgebragt, en waarin hij deze geheele zaak breeder behandeldzal vinden.
16) Ilütoire de Vastronomie moderne , II, p. 549. Met dezewiskundige behandeling van een schijnbaar weinig beteekenend