VAN;DE WEEGKONST, OF WERKTUIGKUNDE. tjf
Men is gewoon de geheele zwaarte van een lighaam te begrypen in dit mid- Tab. k.delpunt alleen, en alle andere deelen zonder zwaarte te zyn. Laat’er zyn een Fig. i».taarling ABFECDGH, men begrype eene lyn getrokken van A in G, envan E in D, deeze zullen elkander fnyden in een punt, midden in den taarling:
Men begrype nu, dat de zwaarte van alle de deelen des taarlings zakke in ditpunt, dan zal het lighaam wel dezelve zwaarte, welke het voorheen hadt, behou-den ; maar zy zal zitten in dit punt, zodat dit door iets onderschraagd , of er-gens aan opgehangen, de geheele zwaarte van het lighaam onderschraagd wordt,of ophangt: Dit punt van zwaarte tracht derhalve in cene loodregte lyn naar be-neden op den gezigteinder te vallen, gelyk als alle zwaarte. Als men dit puntof zelf, of in deeze loodregte lyn ergens mede onderfchraagt, ondersteunt menhet geheele lighaam; maar dit niet onderschraagd zynde, wordt het lighaam nietondersteund, en moet vallen, zakkende het lighaam zo-veel, als dit punt neer-zakt.
Laat ’er zyn een kloot AB , wiens middelpunt is C, het welk ook het Tab. Ikpunt der zwaarte is, wanneer men begrypt, dat de zwaarte van alle de deelen Fig. 8.mar binnen gong, bewoogen zynde in de straallynen : dit punt C tracht inde loodregte lyn op den gezigteinder te daalen, derhalve als men dit lighaam on-dersteunt in C, of in E, of in B, ondersteunt men de geheele zwaarte, ende kloot kan níet vallen : dus ook als men den kloot hangt aan het punt C,of D, of A, zo hangt men de geheele zwaarte op , en het lighaam hangt.
Laat ’er zyn een schuinse vlakte AB , staande op den gezichteinder BC, Tab. Ikhier op ligge een lighaam S, wiens punt van zwaarte zy 8. hier uit de lood- Fig.regte lyn S P getrokken , wordt bevonden te gaan door een punt P van hetlighaam, alwaar het het vlak AB raakt; waarom de zwaarte van ’t lighaam Sop deeze manier onderschraagd wordt ; zo dat het niet tuimelen kan, en al-leen maar glyen langs AB naar beneden. Laat’er zyn een kloot R, wiens-punt van zwaarte zy het middelpunt D , deeze kloot raakt het vlak A B inhet punt E. doch de loodregte lyn uit D getrokken op den gezigteinder isDG, welke toont,dat de zwaarte, en daarom de kloot, niet onderschraagd wordtin deeze lyn van het vlak, waarom de kloot voorover naar K tuimelen moer,en zal dus tuimelende of rollende op het vlak naar beneden vallen. Het is even-eens geleegen met het lighaam T, wiens punt van zwaarte is O, waaruit deloodregte lyn getrokken is ON, deeze lyn wordt nergens ondersteund door hetvlak, weshalve dit lighaam ook moet voorovertuimelen, en dus rollende neer-zakken van L tot B gelyk de kloot, maar niet glyen gelyk het lighaam S.
§. Z49. Nu kan men ook begrypen, hoe de kleine houte ziagmannetjcs,schoon de handen met eene groote zaag vooruitsteekende , kunnen op twee fy-ne {pilletjes in de voeten gestoken blyven staan : aan de zaag is gemaakt eenMetaalen draad met eenen looden kogel onder aan, en inwaards geboogen : ditmaakt dat het middelpunt van zwaarte eene leiding heeft, gaande door de {pil-letjes der voeten heen, en zynde het punt zelf laager dan de voeten, zo dat hetgeheele mannetje onderschraagd is, als het maar op zyne lpilletjes gezetwordt. Men heeft ook andere soorten van kleine houte mannetjes op één been• y staande,.