Aapen.
Glimwor-
men.
Muggenzeer lafiigaan de rey - 'zigers.
3 x DE BESCHRYVING
voor ’t meercndeel moeraffig. Doch re-kenende van Judta tot aan Bankoks twelkontrent drie vierde deelen van ’t stranduytmaakt, zyn ze redelyk wel bewoond.Langs heen 'vertonen zich veele dorpen ;de huysen dezer staan op paaien, maarvan zeer slechte stof gebouwt,en som-tyds fraaye Tempels en wooningen vanPriesters met menigte vrucht, en geenvruchtdragende hoornen, om dezelveheen. Maar van Bankok tot aan de haavevind men niets dan bosschen, wildernis-sen en moerassen , en over al is over-vloedt van Bamboes , en Gabbe Gabbe (eenheester met bladen gelyk die van denPalmboom) de Inwoonders voorziendevan werkstoffen tot het bouwen vanhuysen, heyningen, en daken.
Driederley soorten van dieren ver-schaffen de reyzigers, deze rivier berey-kendc veel vermaak. Eerstelyk, zyn erte zien een ongcloofelyke menigte zwart-achtige Aapen"; waar van sommige zeergroot zyn, en sommige kleinder van ’tge-meene soort, en vaneen grauwe kleur, dietam heen en weer gaan , als of het wasom zich op ’t strand met wandelen ofmet op de hoornen te klimmen te ver-maaken ; maar tcgens den avond zichneerzetten in een groote menigte , gelykde kraayen, op de hoogste hoornen aanén langs het strand. De vrouwelyke ofvoedsters houden haarc jongen zo vasttegen haare borst, lat zy niet zouden loslaten , zelf schor n zy van boven neer-geschoten wierden. Ze zyn verzot opdezen streek lands , ter oorzaake dat zyhun voedsel daar overvloediglyk vindenaan groote melkachtige hoornen, Tjaakgenaamt , die daar zeer ongemeen veelwassen, met ligt groene bladen van eenlangwerpig rondt maaksel,en een vruchtde appelen in groote en gedaante niet on-gelyk, behalven dat ze zeer zaamgeperstsdiynt, en van een zeer wrange sinaakis. De Cicindela , Glimwormen , ma-ken eene andere vertoning, díe zich alseen vuurige wolk aan sommige hoornenzetten, met deze verbaasende omstandig-heid ; dat een gehcele zwerm dezer bloe-deloose gediertens bezit hebbende ge-nomen van eenen boom, en zich uytge-fpreidt over alle deiselfs takken, somtydshun vuurig licht alle te gelyk verbergen,en een oogenblik daar na het zelve wederdoen schynen met de uyterste geschikt-heid en ordre, als of zy in eene geduurigeSystole en Diastole , toetrekking en open-sluyting waren. ’tGeen ten derden merk-waardig is, zyn de gemeene muggen ofvliegen, die by dag zo hier of daar eensgezien worden ; maar ’s avonds of by
EN GESCHIEDENIS
nacht mét zulke zwermen , dat het be-zwaar! yk valt zich tegen dezelve te be-schermen. Daar is een soort gelyk diein Rostand, met ’t welk de reyzigers ge-plaagt worden, doch zy zyn kleinder.hebben een kleinder angel, en gevolglykdoen zy zo veel leedt niet. Dit ongediertmaakt deze reys te water, die anders ver-maakelyk genoeg zoude zyn, zeer moe-yelyk, onaangenaam, en lastig. 4
Op den zevenden july,zynde vrydag,verlieten wy de rivier en het land, zoals ’t begon te daagen, en ten acht uurenquamen wy met een gunstige noordewind aan ons schip, ’t welk vier mylenvan de mond der rivier op ses vademenwater ten anker lag. Deze haave ofteRee, is het eind van een Baay, tusschende landen Cambodia en Stam : ze heeft eertzachte kleygrond, en is ontrent vyf ofzes vademen, iets meer of min , diep.
Vonken en geladen schepen kunnen methet ty tot Bankok toe opvaren. Daarlagen verschelde Vonken , of ChineescheKoopvaardy schepen naby den mond derrivier, alwaar verscheide baaken warenopgericht om de ondieptens aan te wy-zen ; behalven deze waren ’er verschel-de Visschers schuytjens, vangende deVisschers daar ontrent zeer veel visch,inzonderheid Roch ,van welker vel ofhuyd de Japoneesers het schoonste soortvan werk maken. De Visschers zyn ookgewoon paaien te staan op de ondieptens,daar het versche water zich met het zee-water vermengt, welke zy den volgen-den dag met de ebbe weder wegnemen,met zo veele schulpvisièn daar aan, alsvyftig menschen eeten kunnen. Aanboord zynde gekomen , vonden wy ’tvolk, de Officiers zo wel als de matroo-sen, zeer verdeeld door een onderlingejaloersheid, welke aangroeyde door hunbuytenspoorig drinken van Lau , eensoort van brandewyn , welke daar telande gemaakt word. De Kapitein, eenbeleeft en goedaardig man , (een hoeda-nigheid welke zeer zeldzaam is onder deNederlandsche Zeeluyden) droeg aan-stonds zorg, dat zy ter neer gezet wier-den , door sommige in de boeyens te leg-gen , en bereide zich om den volgendendag onder zeyl te gaan.
Toen wy bezig waren op den achstenJuly om onze laatste lading van huydenin te nemen, quamen ’er twee bedien-den van de Neerlandsche Factory aanboord, om naar gewoonte het scheeps-volk te monsteren. De wind ten zuydWesten van ’t strand waayende, verlie-ten zy ons den elfden, en keerden methunne boot naar ’t land, door ons be-groet
Mo